De nieuwe Europese satelliet is, net als zijn voorganger ERS-1, van grote betekenis voor onderzoek van weer, klimaat en milieu. De eerste satelliet van de Europese Ruimtevaartorganisatie werd in 1991 gelanceerd en werkte boven verwachting nog steeds. Beide satellieten zijn uitgerust met radarsystemen (zogenaamde scatterometers) die ook 's nachts en door de wolken heen opnamen kunnen maken van land en zee. Zo kunnen wind, zeehoogten, zeestromingen, golfpatronen, ijsvelden en ijskappen zichtbaar worden gemaakt en wordt ook de zeewatertemperatuur gemeten. De scatterometer maakt onderdeel uit van het AMI-pakket aan boord van de ERS-2.

De ERS-gegevens verbeteren de weersverwachtingen, wat van belang is voor scheepsroutering en andere activiteiten op zee. Het KNMI gebruikt de gegevens voor het maken van wereldwijde golfverwachtingen. Met behulp van de satellietgegevens kan ook worden afgeleid hoe de oceanen warmte en kou transporteren en doorgeven aan de atmosfeer. Dat proces is de motor van het aardse klimaat. De ERS-1 verrijkte de onderzoekswereld al met gedetailleerde beelden van overstroomde gebieden, olievlekken, tropische wouden, tropische stormen, vulkanen en terreinbewegingen door aardbevingen.

De ERS-2 is een grote satelliet met een hoogte van bijna 12 meter en een gewicht van 2516 kilogram. De satelliet zal op een hoogte van 780 kilometer cirkelvormige banen rond de aarde beschrijven. De hele aarde wordt in stroken geobserveerd, zodat ook van afgelegen gebieden informatie kan worden verkregen. Het is de bedoeling dat de ERS-2 drie tot vier jaar in functie blijft, het eerste half jaar nog samen met de ERS-1.