Oorzaak van het afwijkende winterweer van de laatste decennia was de ongewone sterkte van westelijke luchtstromingen boven de Atlantische Oceaan. De kracht daarvan hangt samen met het verschil in luchtdruk tussen IJsland en de Azoren. Wanneer dat drukverschil kleiner is dan gemiddeld, hebben we relatief vaak wind uit noordoost met strenge winters. Is het verschil in druk groter is dan normaal dan zijn de westenwinden met zachte lucht sterker. De wintertemperatuur wordt dan vooral bepaald door de temperatuur van het zeewater voor onze kust, die ongeveer 7 graden bedraagt.
Soms blijft een afwijkende voorkeur in de windrichting gedurende meerdere opeenvolgende winters in stand, wat leidt tot een serie zachte winters. Uit onderzoek blijkt dat de warmte in Nederland in de afgelopen twintig jaar grotendeels hieruit te verklaren is. De afwijkingen worden primair toegeschreven aan natuurlijke variaties. Dat houdt in dat de wintertemperatuur in het begin van de 21e eeuw weer zou kunnen dalen tot normalere waarden.


Sommige berekeningen suggereren echter dat het broeikaseffect de sterkte van de westenwinden kan beïnvloeden. Over de wijze waarop bestaat onduidelijkheid. Mochten die uitkomsten juist zijn dan zouden de westenwinden boven West-Europa in de loop van de 21e eeuw sterker worden. Dat zou dan na 2010 resulteren in een grotere temperatuurstijging van de winter dan eerder voorzien.


In samenhang met het warmere weer viel er ook meer neerslag. Ondanks die toegenomen winterneerslag is in de gemiddelde afvoer van Rijn en Maas geen verandering gekomen. De rivierafvoeren in 1993 en 1995 waren weliswaar hoog, maar niet uitzonderlijk; ook in de jaren twintig kwamen dergelijke afvoeren voor. Het water van de Rijn bij Lobith is in deze eeuw liefst 3 graden warmer geworden. De opwarming loopt in de pas met industriële warmtelozingen stroomopwaarts en is een voorbeeld van een menselijk effect. De ijsgang op de rivieren na 1950 is mede daardoor afgenomen.


Conclusies Klimaatrapport 1999

  • Meer inzicht in de mechanismen die de variabilteit van het Nederlands klimaat veroorzaken.
  • Die variabiliteit is zó groot dat het moeilijk is in het klimaat van een beperkt gebied als Nederland een antropogeen signaal te detecteren.
  • Wereldwijd wordt het steeds waarschijnlijker dat een antropogeen signaal wel kan worden vastgesteld.
  • Er is dus nog steeds reden tot zorg.