Wel zijn de meeste klimaatonderzoekers zeker van menselijke invloeden op het klimaat. In de twintigste eeuw is de wereld 0,6 graden warmer geworden. Het is zeer waarschijnlijk dat de mens vooral in de laatste 50 jaar door uitstoot van broeikasgassen hieraan een beslissende bijdrage heeft geleverd. Het menselijke signaal in het klimaat is echter nog te zwak om een extreme gebeurtenis daarmee oorzakelijk in verband te brengen.

Engelse onderzoekers hebben met behulp van klimaatmodellen kansberekeningen uitgevoerd voor de  extreem hete zomer van 2003, zowel met als zonder menselijke invloed. Vooral in centraal Europa was deze zomer onvoorstelbaar heet en droog. Waarschijnlijk heeft de droogte een versterkend effect (terugkoppeling) gehad op de hitte die in de loop van de zomer steeds erger werd. Zo was de gemiddelde zomertemperatuur in Zwitserland 22 graden, dat is 5 graden warmer dan het langjarig gemiddelde en 2 graden hoger dan eerdere extremen. Binnen het huidige klimaat is de kans op zo’n hete zomer heel klein. 

Aan het eind van de eenentwintigste eeuw, waarin het naar verwachting van de meeste onderzoekers wereldwijd gemiddeld 1,4 tot 5,8 graden warmer wordt, is zo’n zomer veel waarschijnlijker. Volgens de uitkomsten van de onderzoekers kan zelfs de helft van de zomers tussen 2070 en 2100 warmer worden dan die van 2003. Dat het klimaat nu al zo’n zomer heeft opgeleverd is nog geen bewijs van de opwarming. Wel past de hitte in het beeld van de toekomstige opwarming door het broeikaseffect.