Door wind en zeestromen leggen ijsbergen 20 tot maximaal 100 kilometer per dag af; de grootste houden het in water van 20 graden soms een maand uit. Ten zuiden van Newfoundland komen de ijsbergen in het water van de warme Golfstroom met een temperatuur van 18 tot 20 graden. Zodra zo'n ijsberg in de Golfstroom terecht komt smelt hij binnen een week weg. Soms houden ze het een maand vol en komen ze verder naar het zuiden. In 1926 is er zelfs een gezien bij de Bermuda eilanden.

Omdat ijs in gewicht 10% lichter is dan water, ligt 90% van de berg onder water. Dat betekent niet, dat een ijsberg van 10 meter hoog, tot 90 meter onder water zit, zoals wel wordt beweerd. Van een ijsberg zijn alleen de uitstekende delen boven het water zichtvaar en niet de brede basis die onder water ligt. IJsbergen zijn groot; de meeste hebben een hoogte van 50 meter, maar dat is altijd de hoogte van een flat van 20 verdiepingen. Sommige steken meer dan 100 meter boven het water uit, vergelijkbaar met de Utrechtse Domtoren. In de Baffin Baai is ooit een ijsberg van 215 meter hoogte gesignaleerd.

In april 2000 maakte een ijsberg van 295 kilometer lengte en 37 kilometer breedte zich los van de Antarctische kap. De ijsberg dreef in het ijskoude water langzaam noordwaarts naar de zuidelijke Atlantische Oceaan. In tegenstelling tot het Noordelijk Halfrond zijn ijsbergen hier niet aan seizoenen gebonden en komen ze het hele jaar voor. De grootste die hier ooit gezien is had een lengte van ruim 300 kilometer en een breedte van bijna 100 kilometer. Ter vergelijking: de afstand Groningen-Maastricht is ongeveer 240 kilometer!

Met dank aan Nicole van Lipzig, KNMI en Hugo Poppe, Katholieke Universiteit Leuven