Vogeltrek (foto: Jannes Wiersema)
Ook de vlieghoogte hangt samen met het weer. Bij helder weer, goed zicht en wind van achter vliegen ze op 300 tot 600 meter hoogte. Bij tegenwind, donker weer of nevel, blijven de duiven onder de 20 meter hoogte. Bij zeer ongunstige omstandigheden scheren ze zelfs over de grond.

Bij buiig weer proberen ze een route te volgen om de buien heen, maar soms lukt dat niet. Onweersbuien kunnen immers ontstaan als de duiven al onderweg zijn. Bovendien gaan deze soms vergezeld van valwinden, windstoten, slagregens en hagel. Onweersbuien op enkele kilometers afstand van de vluchtlijn kunnen het koersverloop verstoren en zelfs belemmerend werken op de terugkeer. Door de enorme elektrische activiteit wordt het aardmagnetisch veld verstoord, maar proeven hebben uitgewezen dat het "magnetisch kompas" van de duiven hierdoor niet wordt beïnvloed. De koersverstoring wordt vooral veroorzaakt door plotselinge variaties in de wind.

Duiven kunnen ook niet tegen laaghangende bewolking of mist en bij motregen raken de vogels doorweekt. Vandaar dat een rustige atmosfeer in een hogedrukgebied met lage bewolking, mist of motregen verre van ideaal is. Bij deze omstandigheden bevindt zich vaak op enige hoogte in de atmosfeer warme lucht, inversie genoemd. De temperatuur stijgt dan naarmate we hoger in de atmosfeer komen, terwijl het normaal juist afkoelt met de hoogte. Vlak onder de inversie, een soort warmteplafond, ligt vaak een hardnekkig wolkendek waar zich vocht en vuiligheid ophoopt. Vooral inversies op 100 tot 300 meter hoogte belemmeren de vlucht, ook wanneer er helemaal geen bewolking op inversie-hoogte aanwezig is.

De kans op een fataal vluchtverloop is groot wanneer de duiven op hun retourvlucht een "warmtefront" passeren. Dwars op de vluchtlijn ligt dan een gebied dat de scheiding vormt tussen warme en vaak vochtige lucht waarin ze gelost zijn en koudere, drogere lucht waarin hun thuisbasis ligt.