Tot voor kort kostte het veel moeite om de ASDAR-apparatuur in vliegtuigen te plaatsen. Voordat de nationale luchtvaartdiensten (zoals de Rijksluchtvaartdienst in Nederland) toestemming tot plaatsing verleenden waren uitgebreide luchtwaardigheids- en veiligheidstests nodig. Een DC-10 van British Airways was in 1990 het eerste vliegende automatische weerstation, daarna gevolgd door een Boeing 747 van de KLM.

Inmiddels is door een zorgvuldige keuze van vliegtuigmaatschappijen en vliegroutes een dicht waarneemnetwerk tot stand gekomen. Daarbij is vooral gekeken naar oceanen en dunbevolkte, onherbergzame gebieden waarvan door gebrek aan weerstations weinig informatie beschikbaar is. Vliegtuigen uit Mauritius, Argentiniƫ en Zuid-Afrika leveren nu dankzij ASDAR een veelvoud aan gegevens boven de Indische Oceaan, Midden-Afrika en de zuidelijke Atlantische Oceaan.

Bovendien komen er nu meer bovenluchtgegegevens beschikbaar uit gebieden waar gevaarlijke situaties voor de bevolking kunnen ontstaan. Zo doen twee KLM-vliegtuigen extra waarnemingen boven het Caribisch gebied om het ontstaan van hurricanes vroegtijdig te kunnen voorspellen. Met de komst van de moderne grote vliegtuigen (Boeing 747-400, Boeing 767 en MD-11), uitgerust met communicatiemiddelen, is het eenvoudiger geworden om de benodigde software in de boordcomputers te plaatsen. In een samenwerkingsverband tussen het KNMI en de KLM zijn momenteel 39 KLM-vliegtuigen voorzien van de meteorologische software. Wereldwijd leveren bijna honderd vliegtuigen uurlijks een schat aan gegevens over temperatuur, wind en luchtdruk op vlieghoogte (10 tot 12 kilometer) en tijdens opstijgen en landen in de onderste luchtlagen bij vliegvelden. De gegevens staan ter beschikking van alle nationale meteorologische diensten, waaronder het KNMI, voor het maken van weersverwachtingen.