De Centraal Nederland wintertemperatuur van 1907 tot 2010. De groene lijn geeft de trendlijn aan (twee keer de wereldgemiddelde temperatuurafwijking), de lengte van de blauwe en rode staafjes geeft dus aan hoe ver de wintertemperatuur afwijkt van de trendlijn (Bron: KNMI)
Een koudegolf is een aaneengesloten periode in De Bilt van minstens vijf ijsdagen (maxima onder nul), waarvan drie met strenge vorst (minima onder min 10 graden). In de winter van 2012 was het alleen in de eerste helft februari koud, de rest van de winter was uitgesproken zacht. Datzelfde gebeurde in de winter van 1996/1997. Alleen tussen half december en half januari was het koud, verder heel zacht zodat de winter maar weinig kouder was de normaal. De winter van 1996 was de laatste met een gemiddelde temperatuur onder het vriespunt en op zijn beurt weer de koudste sinds de winter van 1979.

Klimaatexperts wijzen erop dat de vele zachte winters van de laatste decennia geen tijdperk inluiden met louter zachte winters. Ook in het steeds warmere klimaat blijft de grillige afwisseling van koude en warme jaren met schaats- en kwakkelwinters gewoon doorgaan. Kou blijft dus ook in de verre toekomst mogelijk, alleen minder vaak en koudegolven duren minder lang.

Strenge winters zullen we dus steeds minder vaak meemaken, maar ze blijven wel voorkomen. De 21e eeuw heeft nog geen strenge winter opgeleverd (gemiddelde temperatuur in De Bilt onder het vriespunt), wel enkele koude winters. De winter van 2009 had in De Bilt een gemiddelde van 2,2 graden, in 2010 bedroeg de gemiddelde temperatuur 1,1 graden en ook de winter van 2011 was vrij koud. De vorige eeuw telde acht strenge winters : 1963 (min 3,1 graden), 1947 (min 2,4), 1940 (min 1,9), 1929 (min 1,5) en 1942 (min 1,5), 1979 (min 0,8), 1941 (min 0,1) en 1996 (min 0,1).

Het totale aantal strenge winters met een gemiddelde onder nul lag in 20e eeuw lager dan in vorige eeuwen: de negentiende eeuw telde dertien van dergelijke winters en de achttiende eeuw (waarnemingen sinds 1706) had er minstens veertien.

Het KNMI heeft wintertemperaturen uit de zeventiende eeuw afgeleid uit trekvaartgegegevens. De vervoersmaatschappijen noteerden wanneer de trekvaarten tussen Amsterdam, Haarlem en Leiden door ijsvorming niet gebruikt konden worden. De aantekeningen bestrijken de periode 1634-1839 en overlappen deels de metingen vanaf 1706. Zo kon de temperatuurreeks tot in de zeventiende eeuw worden gereconstrueerd.

Uit dat onderzoek blijkt dat de gemiddelde wintertemperatuur in de tweede helft van de zeventiende eeuw ongeveer 1,6 of 1,7 graden was. Zowel in de achttiende als in de negentiende eeuw was dat 1,9 graden en in de 20e eeuw was de wintertemperatuur gemiddeld 2,7 graden. Onze winters zijn dus de laatste drie eeuwen gemiddeld minder koud geworden. Volgens de scenario’s van het KNMI zijn de winters rond het midden van deze eeuw nog eens gemiddeld tussen 0,9 en 2,3 graden warmer. Aan de grillige afwisseling van koude en minder koude winters verandert echter niets en ook in de toekomst zal ook een ijswinter soms mogelijk zijn.