Nader Verklaard
Onweer over rivieren
31 juli 2012 -
Komt onweer moeilijker over een rivier of niet? Vaak lijkt het of de bui moeite heeft een rivier als de Maas of de Rijn over te steken en het onweer in het rivierengebied blijft hangen. Het KNMI heeft het aan de hand van radarbeelden en bliksemregistraties onderzocht. De conclusie laat er geen misverstand over bestaan: rivieren hebben nauwelijks invloed op onweersbuien.
Bliksem op afstand in Twente (foto: Robert Hoetink)
Toch is het misverstand te begrijpen omdat we eenvoudig misleid worden door beperkingen in onze waarnemingen. Een onweersbui komt zelden alleen, maar maakt meestal deel uit van een complex met verscheidene actieve haarden. De meeste bliksems komen aan de voorzijde van een buiencel voor. Bij de passage van zo'n cel zal na enkele minuten de neerslag de grond bereiken. De neerslag vermindert het zicht waardoor de bliksems van de wegtrekkende bui minder goed te zien zijn. Ook de donder van een wegtrekkende bui -tegen de wind in- is moeilijk te horen.
Inmiddels naderen dan vaak weer nieuwe onweerscellen en tussen de verschillende buiencellen in regent het meestal even wat minder. Gevolg is dat de bliksems van de naderende nieuwe cel weer goed te zien kunnen zijn. Ook het gedonder kunnen we weer goed horen omdat de bui met gerommel in de verte die op ons afkomt immers met de wind meetrekt.
Zo lijkt het of het onweer steeds nadert en maar niet verdwijnt, dus alsof de bui blijft hangen, een verschijnsel dat overal kan optreden. Echter in de nabijheid van een opvallend kenmerk in het landschap zoals een rivier is de verleiding groot om de rivier als oorzaak aan te wijzen.
Alleen zeer lokale warmte-onweders die ontstaan door de hitte en geen verband houden met de passage van een front en het binnenstromen van koelere lucht, kunnen in geringe mate invloed ondervinden van de ondergrond, zoals meren, rivieren of heuvels. Warmteonweer ontstaat echter bij voorkeur boven droge streken die sterk verhitten, zoals de Veluwe of de Kempen. Bij dergelijke warmteonweders waait het op enige hoogte in de atmosfeer meestal nauwelijks, waardoor de bui lange tijd boven een bepaalde locatie blijft hangen.
Op enige afstand van de kust neemt de onweersactiviteit in het algemeen sterk toe omdat 's zomers bij het binnendringen van minder warme lucht de buienvorming vaak pas landinwaarts goed op gang komt. Ook grotere wateroppervlakken, zoals het IJsselmeer en de Waddenzee, kunnen invloed hebben op buien. Met name in de nazomer en in het najaar wanneer de zee nog lang relatief warm blijft is de buienactiviteit aan de kust het grootst en boven zee kan het 's nachts langdurig onweren, terwijl landinwaarts de sterren aan de hemel staan.
Eerste uitgave:
22-05-01
Laatste wijziging:
31-07-12