Onweerswolken (cumulonimbus) boven Amstelveen (foto: Remco Fasol)
Toch is het misverstand te begrijpen omdat we eenvoudig misleid worden door beperkingen in onze waarnemingen. Een onweersbui komt zelden alleen, maar maakt meestal deel uit van een complex met verscheidene actieve haarden. De meeste bliksems komen aan de voorzijde van een buiencel voor. Bij de passage van zo'n cel zal na enkele minuten de neerslag de grond bereiken. De neerslag vermindert het zicht waardoor de bliksems van de wegtrekkende bui minder goed te zien zijn. Ook de donder van een wegtrekkende bui -tegen de wind in- is moeilijk te horen.

Inmiddels naderen nieuwe onweerscellen en tussen de verschillende buiencellen in regent het meestal minder hard. Gevolg is dat de bliksems van de naderende nieuwe cel weer goed te zien zijn. Ook het gedonder kunnen we weer goed horen omdat de bui die op ons afkomt immers met de wind meetrekt.

Zo lijkt het of het onweer steeds nadert en maar niet wegtrekt, dus alsof het blijft "hangen", een verschijnsel dat overal optreedt. Echter in de nabijheid van een opvallend kenmerk in het landschap zoals een rivier is de verleiding groot om de rivier als oorzaak aan te wijzen.

Alleen plaatselijke warmteonweders die ontstaan door de hitte en geen verband houden met de passage van een front en het binnenstromen van koelere lucht, kunnen invloed ondervinden van de ondergrond, zoals meren of rivieren. Warmteonweer ontstaat echter bij voorkeur boven droge streken die sterk verhitten, zoals de Veluwe of de Kempen. Bij dergelijke warmteonweders waait het op enige hoogte in de atmosfeer meestal nauwelijks, waardoor de bui lange tijd boven een bepaalde locatie blijft hangen.

Ook grotere wateroppervlakken kunnen invloed hebben op buien. In het najaar wanneer de zee nog lang relatief warm blijft is de buienactiviteit aan de kust het grootst en boven zee kan het 's nachts langdurig onweren, terwijl landinwaarts de sterren aan de hemel staan.