De weerkaarten van het ECMWF in Reading bij Londen, dat in 1975 is opgericht in een samenwerkingsverband van achttien Europese landen waaronder Nederland, bevatten een netwerk van roosterpunten waarvoor dagelijks alle berekeningen worden uitgevoerd. Het ECMWF zamelt zoveel mogelijk gegevens in en daar is veel tijd mee gemoeid, zodat er nogal wat tijd zit tussen het moment van waarneming en het moment waarop de computer kan gaan rekenen.

De huidige weerkaart wordt volledig door de computer geproduceerd; de computer berekent het mondiale weer voor vijf tot tien dagen vooruit. Eigenlijk tot negen dagen vooruit want er wordt gerekend met de gegevens van de voorgaande dag van 12.00 UT. Voor het gebruik en de interpretatie van die gegevens is de vlindertheorie van de Amerikaanse meteoroloog Lorenz van groot belang: het klapwieken van een vlinder in Florida kan er bij wijze van spreken voor zorgen dat een depressie ontstaat die twee dagen later in ons land voor regen en wind zorgt. Een kleine verstoring kan enorme gevolgen hebben voor het weer in de komende dagen en is dus van belang voor de weersverwachtingen.

Het ECMWF en het KNMI hebben een speciale methode ontwikkeld die zulke verstoringen incalculeert, de ensemble-methode. De computer produceert voor elk van de komende tien dagen tientallen weerkaartjes ter grootte van een flinke postzegel, die de mogelijke weersituatie aangeven. De uitkomsten worden op verschillende manieren gepresenteerd, niet alleen in weerkaartjes en grafiekjes maar ook in de vorm van de zogenaamde pluim. De meteoroloog kan op basis daarvan een trendverwachting maken voor de komende tien dagen. De meteoroloog kan op basis daarvan een trendverwachting maken voor de komende tien dagen.

Bron: Harry Geurts en Jacob Kuiper, Weergaloos Nederland, Kosmos/Z&K, Utrecht 1997