Waterkoude lucht wordt aangevoerd over het besneeuwde vasteland van Europa of ijsvlaktes (foto Jannes Wiersema).
De lucht wordt aangevoerd over het 's winters vaak besneeuwde vasteland van Europa of ijsvlaktes. Dat is dus koude en vochtige lucht. Ondertussen nemen op de nadering van de depressie bewolking en wind toe, waardoor het nog onaangenamer wordt.

Opmerkelijk is dat ook droge lucht heel koud kan aanvoelen. De verdamping is dan heel groot, waardoor warmte aan ons lichaam wordt onttrokken. Vooral als het ook waait verdwijnt de lichaamswarmte met grote snelheid en krijgen we het koud. Die combinatie van droge lucht en kou noemen we schraal.

In weerberichten komen ook begrippen als koud en koel voor. Boven 12 graden heeft koel de voorkeur en bij een temperatuur van 12 graden of minder wordt het begrip koud uit de kast gehaald. In de zomer zal dus eerder gesproken worden van koel, in de winter is het koud.

Daarnaast wordt ook gesproken van vrij koud of zeer koud en bij koel worden dezelfde gradaties gebruikt. De keuze van die bewoordingen hangt af van de afwijking van de temperatuur van normaal, het gemiddelde over dertig jaar (1981-2010). Voor iedere periode van vijf dagen is zo'n langjarig gemiddelde bepaald, het pentadegemiddelde.

Wijkt de verwachte temperatuur 5 tot 10 graden af van het langjarig gemiddelde in die tijd van het jaar, dan wordt dat meestal koud of koel genoemd. Is de afwijking een paar graden minder dan spreken weerkundigen meestal van vrij koud en vrij koel weer. Een grotere afwijking van de temperatuur wordt meestal als zeer koud of zeer koel omschreven.

In weerpraatjes wordt soms ook gesproken van fris weer als synoniem van kil of koel. Dat heeft meestal beftrekking op een deel van de dag: 's morgens is het fris of 's avonds wordt het frisser.