Het KNMI in De Bilt begin 1900 net na de verhuizing vanuit Utrecht
Cruquius was overtuigd dat weerkundige waarnemingen van temperatuur, neerslag, verdamping en wind, die hij deed, nuttig waren voor de veiligheid en om de waterhuishouding in kaart te brengen.

Hij werd echter niet serieus genomen en het lukte hem niet geld los te krijgen. In de negentiende eeuw zou Buys Ballot in zijn sporen verder gaan en hij had wel succes. De Utrechtse hoogleraar natuurkunde kreeg een tomeloze belangstelling voor meteorologie. Samen met een studiegenoot deed hij al jaren vóór de oprichting van het KNMI weerkundige metingen op een toren in Utrecht. Hij zag in dat het van groot belang was weerkundige waarnemingen te doen. Liefst gelijktijdig op verschillende plaatsen in de wereld en dat gedurende vele jaren. Zijn ideaal was het berekenen van dagwaarden van de temperatuur voor iedere kalenderdag over de hele aarde.

Buys Ballot kon het nut van een nationaal meteorologisch instituut hard maken. Vooral de scheepvaart zou kunnen profiteren van zijn weersverwachtingen. De veiligheid op zee was gediend met stormwaarschuwingen en bovendien kon weerinformatie leiden tot adviezen voor snelle vaarroutes. Daarmee was het maatschappelijk belang duidelijk. In de vijftiger jaren van de negentiende eeuw was er internationaal een roep om de meteorologische berichtgeving te coördineren en gegevens uit te wisselen. Ook dat speelde een grote rol bij de plannen voor de oprichting van het KNMI.

Uiteindelijk adviseerde de Nederlandse regering positief en werd officieel door Koning Willem III op 31 januari 1854 het KNMI gesticht. Hij hechtte dermate belang aan het instituut dat meteen bij oprichting het predikaat koninklijk werd toegekend. Buys Ballot vond op de Utrechtse sterrenwacht de Sonnenborgh een ideaal onderkomen en daar zou het instituut tot 1897 gehuisvest zijn. Daarna werd wegens ruimtegebrek uitgeweken naar De Bilt waar het KNMI nog altijd zijn hoofdvestiging heeft.