De laatste jaren is door onderzoek meer kennis opgedaan over met name regionale temperatuurschommelingen. De variaties zijn moeilijk te voorspellen en houden Europa soms jaren achtereen in de ban. Een deel van die temperatuurvariaties is te wijten aan plaatselijke schommelingen maar ongeveer de helft van de opwarming loopt in de pas met de stijging van de wereldgemiddelde temperatuur.

Naar verwachting worden de eerste tien jaar van de 21e eeuw duidelijk warmer dan het gemiddelde over 1961-1990 maar ongeveer net zo warm dan de zeer warme jaren negentig van de vorige eeuw. Daarna wordt een gestage verdere temperatuurstijging verwacht. De onderzoekers gaan er daarbij wel vanuit dat de natuurlijke variaties dezelfde blijven en ook dat er geen verandering komt in het gevonden verband tussen de wereldgemiddelde temperatuur en de temperatuur in Nederland.

Ook voor de afzonderlijke seizoenen kunnen verwachtingen worden gegeven. De jaren negentig leverden warme lentes en warme zomers op. Waarschijnlijk komt daar in de eerste tien jaar van de 21e eeuw weinig verandering in. De herfst echter was door regionale schommelingen van het klimaat in de jaren 1991-2000 in ons land naar verhouding minder warm dan de wereldwijde trend. De komende tien jaar zou dit seizoen zijn achterstand wel eens in kunnen halen en warmer kunnen worden. De winters zijn in Nederland aan grote schommelingen onderhevig. Over het winterweer van de komende tien jaar is daardoor weinig te zeggen. Ook de warme jaren negentig leverden nog twee strenge winters op. De stijging van de wereldgemiddelde temperatuur wordt waarschijnlijk pas na 2010 merkbaar in ons winterweer, maar ook dan blijvenElfstedentochten nog tot de mogelijkheden behoren.