24 november 2011 -
Een periode met in een groot deel van het land dagen achtereen hardnekkige mist komt weinig voor. Vaak blijft de mist beperkt tot hooguit enkele uren. Als in minstens één van de 24 uurvakken van een dag mist optreedt wordt die dag gerapporteerd als mistdag.
Bij dichte mist is het zicht minder dan 200 meter, bij zeer dichte mist minder dan 50 meter (foto: Jannes Wiersema)
De kans op mist is het grootst tussen oktober en januari, vooral rond zonsondergang en vlak vóór zonsopkomst. In het binnenland telt een maand in het najaar, het mistseizoen acht tot tien mistdagen, aan zee vijf tot zeven. In het voorjaar en in de zomer is het aantal mistdagen ongeveer de helft van dat in de herfst. Bovendien lost de mist na zonsopkomst door de warmte ‘s zomers veel sneller op. In de zomer blijft de mistduur beperkt tot hooguit een paar uur, terwijl mist in het najaar of de winter de hele dag kan blijven. ’s Avonds, wanneer het afkoelt, wordt de mist meestal dikker.
Een vermindering van het zicht kan optreden door stof, rook of kleine waterdruppeltjes. Een weertype met veel stof of rook wordt heiig genoemd. Bij zichtafname door waterdruppeltjes wordt gesproken van nevel of mist. Bij nevel is het zicht beperkt tot 1 of 2 kilometer en bij mist bedraagt het zicht minder dan 1 kilometer. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen dichte mist (tussen 50 en 200 meter zicht) en zeer dichte mist (minder dan 50 meter).
Over korte afstanden van soms nog geen honderd meter kunnen grote verschillen optreden in het zicht. Het meteorologisch zicht is de grootste afstand waarop een zwart object te zien en te herkennen is. Het zicht kan in verschillende richtingen verschillen. Weerkundigen melden altijd het minste zicht.
Bij duisternis is het licht over een iets grotere afstand zichtbaar dan in even dichte mist overdag (foto Jannes Wiersema)
Vroeger werd het zicht nog door waarnemers ingeschat op basis van de zichtbaarheid vaste punten waarvan de afstand bekend is. Tegenwoordig wordt het zicht automatisch gemeten en kunnen de zichtwaarden in het hele land continue worden gevolgd. Om het zicht te meten wordt gebruik gemaakt van een transmissometer of een scatterometer. Dergelijke mist- of zichtmeters zijn niet alleen te vinden op weerstations maar ook langs start- en landingsbanen op vliegvelden en bij autowegen. Ze zien eruit als een paal met twee naar elkaar gerichte “camera’s”. De een bevat een zender die een lichtbron uitzendt, de ander is de ontvanger. Het signaal dat de ontvanger binnenkrijgt wordt zwakker naarmate het zicht minder is. Ook satellieten laten zien waar het mistig is.
Mist ontstaat bij voorkeur in de buurt van sloten of boven laaggelegen weilanden. Dat gebeurt bij rustig weer in hogedrukgebieden met vochtige lucht. Plaatselijk kunnen enorme verschillen in mist ontstaan. Een beetje wind kan zorgen voor verplaatsing van een heel mistgebied, waardoor het zicht in de richting een bepaalde omgeving opeens kan veranderen. Weerkundigen noemen mist die komt aanwaaien advectieve mist. Meer diepgang in Kenniscentrum http://www.knmi.nl/cms/content/102325/mist
Eerste uitgave:
10-12-04
Laatste wijziging:
24-11-11