Duitse onderzoekers, die gebruik maken van een netwerk van tuinen in verschillende Europese landen komen tot vergelijkbare resultaten. Deze tuinen, waarvan er een te vinden is bij de Wageningen Universiteit, zijn speciaal ingericht voor onderzoek van de invloed van klimaatveranderingen op bomen en planten.

In de jaren 1943-1968 werden dergelijke waarnemingen verricht door het KNMI in De Bilt. Daarvoor was een beroep gedaan op tal van vrijwilligers. Uit dat onderzoek bleek dat de hoeveelheid warmte vanaf 1 februari, de warmtesom, maatgevend is voor het moment van het tot bloei komen en ontplooiing van het blad. Op basis hiervan konden indertijd ook voorspellingen worden gedaan. De winters zijn nu echter zó zacht, dat de ontwikkelingen in de natuur vanaf 1988 vaak al in januari beginnen. De warmtesom zou tegenwoordig beter vanaf 1 januari bepaald kunnen worden. De behoefte aan warmte verschilt sterk: hazelaars hebben soms begin januari al voldoende warmte gehad om tot bloei te komen, terwijl acacia's pas in juni zover zijn.

Eerder in de 20e eeuw zijn in de omgeving van Wageningen waarnemingen gedaan door de Nederlandse Phaenologische Vereniging. Uit gegevens van die periode blijkt dat de bloeitijd varieert met de temperatuur. In de jaren vijftig en begin zestig was sprake van een steeds vroeger beginnend bloeiseizoen, daarna begon het seizoen weer later. In 1988, 1989 en 1990, toen de winters extreem zacht waren, stond alles veel eerder in bloei. Sindsdien lagen de data steeds heel vroeg met uitzondering van 1996, toen de winter en ook de maand maart koud was. Vroege bloei kan leiden tot meer nachtvorstschade en kan ook de gevoelige periode voor hooikoortspatiënten verlengen.

Bomen, struiken en kruiden illustreren vervroeging van de lente na 1987
Begin bladontplooiing of bloei

Van boom en plant
Gemiddelde datum

1975-1988
Gemiddelde datum

1988-2002
Verschil in dagen
Oude beuken KNMI-park 1 mei 22 april 9 dagen
Eiken KNMI-park 3 mei 24 april 9 dagen
Vroegste kastanje KNMI-park* 7 april 19 maart 19 dagen
Idem (begin bloei)* 4 mei 15 april 19 dagen
Appel 7 mei 23 april 14 dagen
Peer 11 april 11 dagen
Prunus serrulata (Oosterse Kers) 25 april 17 april 8 dagen
Magnolia ("Tulpenboom") 18 april 3 april 15 dagen
Hamamelis 14 januari 4 januari 10 dagen
Forsythia 25 maart 5 maart 20 dagen
Cornus mas (Gele Kornoelje) 1 maart 10 februari 19 dagen
Hazelaar (begin stuiven) 7 februari 19 januari 19 dagen
Zwarte Els (begin stuiven) 2 maart 13 februari 17 dagen
Crocussen KNMI-park 7 maart 19 februari 14 dagen
Gele Trompetnarcis (Dutch Master) 30 maart 11 maart 19 dagen
Speenkruid 29 maart 2 maart 27 dagen
Fluitenkruid 25 april 8 april 17 dagen
Klein Hoefblad 24 maart 26 februari 26 dagen
Paardebloem 15 april 13 maart 33 dagen
* Gekapt in 2000

Bron: Baltus Zwart. Wat doet de natuur als het klimaat verandert. Meteorologica, maart 2000.

Literatuur:

J.P.M. Woudenberg. Geschiedenis van de Landbouwmeteorologie in Nederland tot 1972. Technisch rapport KNMI, TR 116, De Bilt 1989.

Overeem, Aart en Arnold J.H. van Vliet en Rudolf de Groot (Wageningen Universiteit). Vervroeging van het hooikoortsseizoen in een warmer klimaat? Meteorologica 1-2003.