Dat verklaart de grote wisselingen: onder invloed van een depressie kan de wind flink aantrekken uit zuidelijke richtingen waarmee warme lucht wordt aangevoerd. De temperatuur kan dan in de kuststreek oplopen tot meer dan 20 graden en Kangerlussaq aan de noordkust noteerde op 27 juli 1990 het Groenlandrecord van 25,5 graden, een waarde die enkele jaren geleden is benaderd. Na het voorbijtrekken van de depressie draait de wind naar de koude noordwesthoek, de Pittarak. Normaal ligt de zomertemperatuur aan de kust op het "warmst" van de dag tussen 10 en 15 graden en 's nachts rond een graad of vier.

De matigende invloed van de Atlantische Oceaan leidt ook tot veel neerslag, vooral in de zomer. De zuidelijke kust is het natste gebied met in Ivigut in de periode mei-augustus in acht dagen zo'n 80 tot 100 mm in de maand. In het noordelijker gelegen Jakobshaven regent het in die tijd gewoonlijk op 3 of 4 dagen in de maand en valt er veel minder, maandelijks zo'n 20 tot 30 mm. Zeer droog is het in het noordoosten van Groenland waar woestijnachtige omstandigheden heersen, een koude woestijn dus! In heel Groenland kan de neerslag het hele jaar door in de vorm van sneeuw vallen, hoewel zomersneeuw ten zuiden van de poolcirkel weinig voorkomt.

Voor zonaanbidders is Groenland in de zomer zo gek niet: in juni is het één van de zonnigste plaatsen van de hele wereld. De zon schijnt er dan gemiddeld zo'n 16 uur per dag en dat is aanzienlijk meer dan de 7 uur zon waar wij het mee moeten doen en ook meer dan de 11 uur in het zonovergoten Faro in Portugal met 12 uur zon per dag. In Angmagssalik schijnt de zon zowel in mei als in juni zo'n 235 uur, in juli 283 en in augustus 209 uur.

Bron:
Paul Dekkers en Baltus Zwart. Het klimaat van Groenland. Zenit, april 1985, pagina's 141-145.
Marcel Bakker. Een zomer in Groenland. Weerspiegel, november 1993, pagina's 904-909.
Maria Harding. Weer- en klimaatgids voor de Wereldreiziger. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1998.