Altocumulus bewolking (foto: Jannes Wiersema)
De wind werd ook geschat uit fluittonen of de hoogte van de golven. De scheepsjournalen uit de zeventiende eeuw van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) zijn een bron van historische windgegevens.

De Engelse Royal Society, die begon met de coördinatie van waarnemingen, werkte met een vereenvoudigde windschaal van de Engelse schrijver Daniel Defoe. Hij is bekend om zijn boek over zeeman Robinson Crusoe (1719).

Dergelijke windschalen konden alleen boven zee worden gehanteerd. Boven ons land werd de wind afgeleid uit de wieken van molens.

Dat was een vondst van Jan Noppen (1706-1764), een befaamd opziener van de waterstaat. Ambtshalve hield hij zich op Huize Swanenburgh in Halfweg bij Amsterdam bezig met het bijhouden van het weer en was daarmee een voorloper van het KNMI.

Noppen introduceerde een 17-delige molenwindschaal: windkracht 8 volgens de huidige schaal van Beaufort komt overeen met 13 of 14 aan molenwind volgens Noppen. Van belang was de hoeveelheid zeil op de wieken: hoe harder het woei, hoe meer zeil opgerold (gezwicht) werd.

Vanaf windkracht 8, een stormachtige wind volgens Beaufort, hebben de wieken geen zeil. Waait het nog harder (storm, windkracht 9 in Beaufort) dan is malen te gevaarlijk.

Later zijn vereenvoudigde versies van de molenwindschaal gebruikt en zo gebruikte waarnemer Pieter de Leeuw in 1809 een gecombineerde 9-delige schaal waarin het effect van de wind op zeilschepen en op molens was beschreven.

Tegenwoordig wordt de windkracht (ook op teletekst) uitgedrukt in Beaufort, een Ierse admiraal die windsterkte baseerde op de hoeveelheid zeil van een groot schip. Hij bedacht een 13-delige schaal, windkracht 0 is windstil, windkracht 9 is storm en windkracht 12 is orkaan.

Klimaatonderzoekers hebben veel belangstelling voor historische metingen die een indruk geven van het klimaat van eeuwen geleden.