Door de koude oostenwind en de aanhoudende vorst heeft zich eind maart 2013 op veel plaatsen ijs gevormd, een zeldzaamheid tegenwoordig zeker eind maart (foto: Jannes Wiersema)
In sommige rubrieken wordt per dag gekeken wat voor die bewuste datum over een periode van ruim honderd jaar de hoogste en laagste waarden van temperatuur of luchtdruk zijn. Zodra dat getal wordt overschreden, ook al gaat het om een verschil van een tiende, wordt gesproken van een nieuw record. Als we eenmaal in een koude- of hittegolf zitten, kan op deze manier dagen achtereen het ene na het andere record worden overtroffen.

Het temperatuurverloop vertoont in ons land echter een grillig gedrag en dat zien we pas goed als we alle dagrecords van de eeuw op een rij zetten. Zo noteerde het KNMI met min 24,8 graden op 27 januari 1942 het recordminimum voor die datum. Op geen enkele 27e januari in de 20e eeuw was het nog kouder. De laagste temperatuur voor de dag daarop is min 12,6 gemeten in 1947. Op 28 januari zou dus met min 12,7 graden al een nieuw record zijn geboekt terwijl het op de 27e januari minstens 24,9 graden zou moeten vriezen om van een record te spreken.

Voor verschillende opeenvolgende data verschillen de eeuwrecords 4 tot 6 graden. Om een record vast te stellen wordt daarom ook altijd naar alle uiterste temperaturen van de decade (10 dagen), waarin de bewuste datum valt. Het KNMI vermeldt temperatuurrecords alleen als de waarden in een bepaalde decade, maand of over een nog langere periode worden overtroffen.

Maart 2013 heeft een nieuw record opgeleverd: de laatste decade (21-31 maart) was in De Bilt met gemiddeld 0,3 graden de koudste slotfase van maart sinds tenminste 1901. Het record stond op naam van de laatste decade van maart 1922 met gemiddeld 1,2 graden.