Sneeuwruimers als deze in Eemsmond maakten overuren in de witte winter van 2010 (foto: Jannes Wiersema)
Of het ook glad wordt hangt af van een heel scala aan aantal factoren. Niet alleen de vochtigheid en water op de weg zijn van belang, maar ook de wind en vooral de hoeveelheid warmte in de grond kunnen van grote invloed zijn. Op bruggen en opritten wordt het eerder glad omdat daar geen warmte van de ondergrond wordt aangevoerd. Na een vorstperiode, als de vorst nog in de grond zit, zal het juist op andere plaatsen van het wegdek eerder vriezen. Dit wordt ook wel opvriezing genoemd.

Een weg in een ondiep dal, waar de koude lucht naar toe stroomt, is gevoeliger voor vorst en dus eerder glad dan een hoger gelegen weg. Dat geldt ook voor een weg op een noordhelling. Die weggedeelten worden niet door de zon beschenen en zullen overdag in het algemeen langer glad blijven dan andere delen van de weg. Ook weggedeelten die in de schaduw van bomen of andere obstakels liggen kunnen langer glad blijven. Andere factoren die een rol spelen bij het optreden van gladheid zijn de verkeersintensiteit en eventuele zoutresten op de weg.

Rijkswaterstaat heeft langs de wegen sensoren geplaatst om temperatuur en zoutgehalte te meten. Op grond van deze gegevens en gladheidsverwachtingen kunnen de wegbeheerders bepalen waar en wanneer gestrooid moet worden.

Gladheid kan verraderlijk zijn, omdat het heel plotseling en zeer plaatselijk kan optreden. Het wordt niet alleen glad door sneeuw, hagel en ijzel, maar ook door bevriezing bij helder weer. Het KNMI geeft naast waarschuwingen voor gladheid door ijzel of ijsregen sneeuw waarschuwingen uit voor gladheid door op- of aanvriezing of bevriezing van natte weggedeelten of sneeuwresten.