Zondag 14 april was na een lange koude periode op veel plaatsen de eerste warme dag met temperaturen tussen 20 en 24 graden (foto: Jannes Wiersema)
Voor de lenteverwachtingen is door de Natuurkalender in Wageningen een model ontwikkeld voor planten en vlinders dat berekent wanneer de eerste waarnemingen van bloei en bladontplooiing worden verwacht en wanneer bepaalde vlinders gaan vliegen. De verwachtingen zijn gebaseerd op tienduizenden historische waarnemingen met gegevens van het KNMI en berekeningen van het weer en verwachtingen. Door de opwarming van de laatste decennia is de lente in de natuur de laatste jaren vaak vroeg begonnen.

De gemiddelde bloeidatum is in de laatste jaren zo’n drie tot vier weken vervroegd ten opzichte van de periode vóór 1988. In het warmere broeikasklimaat blijft volgens de KNMI klimaatscenario's de vertrouwde grilligheid van het weer echter behouden en kan het soms dus ook weer koud zijn en kan het voorjaarsachtige weer binnen een paar dagen plaatsmaken voor een nasleep van de winter. Koude extremen en koudegolven zoals in februari van dit jaar worden wel minder in aantal en duren minder lang maar de grotere zeldzaamheid maakt ze des te opvallender.

Uit historische gegevens blijkt dat de lente in lang vervlogen tijden soms heel laat was. Zeker in de Kleine IJstijd, die zijn hoogtepunt bereikte in de zestiende en zeventiende eeuw. Legendarisch was de voorjaarskou in 1667 toen de koudegolf tot midden april aanhield en het weer in mei aan Kerstmis deed denken. In de tweede helft van maart 1667 lag er nog zoveel ijs dat men met paarden de Zaan op ging. Eind maart lag de Zuiderzee nog dicht. In Duitsland vriezen de Elbe, Weser en andere rivieren in maart weer dicht en er valt volop sneeuw bij harde wind.

Ook in 1670 stonden onze voorouders begin april nog op de schaats. Half april had het scheepvaartverkeer nog last van het ijs. Uniek was ook de extreem koude lente van 1740, die volgde op een van de ijzigste winters ooit. De trekvaart tussen Haarlem en Leiden lag 80 dagen stil door het ijs. Op 13 maart 1740 reed men nog met wagens en sleden over de Zuiderzee, het ijs heeft een dikte van naar schatting 50 tot 60 cm. De temperatuur kwam in maart nauwelijks boven de 5 graden en zelfs in mei sneeuwde het nog.

Opmerkelijk was ook de late winter in maart 1845, met gemiddeld min 2,3 graden de koudste voorjaarsmaand in de geschiedenis. Halverwege de maand vroor het nog meer dan 20 graden en eind maart 1845 waren de rivieren in ons land nog bevroren.