Het nomogram
In de linker schaal staat de epicentrale afstand, uitgedrukt in kilometers. Het reistijdverschil tussen de P- en de S-golf bepaald de afstand van de beving tot het station (in dit voorbeeld 12 seconden oftewel 100 km). In de rechter schaal staat de maximale amplitude van het seismogram in millimeters (hier 1 mm, 10 mm en 100 mm). De verbindingslijn tussen de afstand en de maximale amplitude geeft op het snijpunt met de middelste schaal de sterkte van de aardbeving (in dit geval 3,0 4,0 en 5,0) op de schaal van Richter. In dit voorbeeld zijn voor een zelfde afstand drie verschillende bevingen gebruikt. De amplitude van het groene seismogram is tien keer zo groot als het rode seismogram en het blauwe is weer tien keer groter dan het groene seismogram. Op de middelste magnitudeschaal is nu goed te zien dat de magnitude één schaaldeel wordt opgehoogd als de amplitude tien keer zo groot is.