De koude uit de poolstreken afkomstige lucht wordt aan de achterkant van depressies naar het gebied van de Noordzee gevoerd. In het vroege voorjaar is de zee en de lucht vlak boven het water warmer dan de poollucht op grote hoogte in de atmosfeer.

Warme lucht is lichter dan koude, zodat het warme luchtlaagje vanaf de zee zal stijgen wat tot de vorming van talrijke wolken leidt. Dat proces is enigszins vergelijkbaar met opstijgende luchtbelletjes in een pan kokend water. In de atmosfeer kunnen de stapelvormige wolken tot enorme afzonderlijke buiencomplexen uitgroeien.

De buien kunnen vergezeld gaan van hagel en onweer. Als de lucht koud genoeg is kan een maartse bui ook (natte) sneeuw opleveren. Sneeuw- en hagel kunnen zorgen voor plotselinge gladheid. De laatste jaren gebeurt het zelden dat ze een laagje sneeuw opleveren.

In het binnenland sterft de buienactiviteit 's avonds snel uit omdat het daar dan sterk afkoelt. Overdag, wanneer het land door de zon sterk wordt opgewarmd, bereidt de buienactiviteit zich landinwaarts uit en kunnen er ook daar fikse buien vallen. Toch leveren Maartse buien in het algemeen maar weinig neerslag op, omdat ze snel passeren en maar kort duren.

Tussen de buien door klaart het flink op en heeft de lucht een diep blauwe kleur. Dat komt omdat de poollucht weinig verontreiniging bevat en relatief droog is. Het zonlicht wordt dan minder verstrooid waardoor de stapelwolken tegen een mooie blauwe hemel afsteken.