De IJsheiligen danken hun naam aan de kans op nachtvorst. Daarna zou dat gevaar zijn geweken: het kan vriezen in de mei, tot de IJsheiligen zijn voorbij. In de landen noord van de Alpen hebben de IJsheiligen die reputatie. Later in mei is de kans op vorst veel kleiner en in dat opzicht markeren ze een overgangsperiode. Ook in juni kan het vlak boven de grond nog vriezen, de IJsheiligen bieden geen garantie dat de vorst voorbij is.

Ook is het niet juist dat het tijdens de IJsheiligen altijd kouder is dan op andere meidagen. Grote schommelingen in de temperatuur zijn karakteristiek voor het hele voorjaar. Vooral in april, mei en de eerste helft van juni maakt abrupt plaats voor koud en guur weer.

Zo'n vroege warme periode kan toevallig samenvallen met de IJsheiligen. In De Bilt waren 13 mei 1945 en 14 mei 1943 zelfs tropisch met temperaturen van 30,6 en 30,5 graden. In 1945 duurde de zomerse periode van 9-14 mei en waren 11 en 12 mei met 29 graden bijna tropisch. In 1976 kwam de hitte nog eerder met op 10 mei 32,0 graden in Gemert.

Ook in 1998 hebben de IJsheiligen warmterecords op hun naam geschreven. In de periode 9-15 mei werd het iedere dag warmer dan 25 graden, zeven zomerse meidagen dus. Op 12 mei 1998 noteerde het KNMI met 32,0 graden een nieuw record voor de eerste helft van mei. De dag daarvoor was 30,3 gemeten. Twee tropische dagen na elkaar zijn uniek in deze tijd. Het zuiden had zelfs een serie van drie tropische meidagen met 32,5 graden op 12 mei 1998 in Eindhoven. Op 13 mei 1998 kwam de temperatuur in De Bilt niet lager dan 16,7 graden. Zo'n warme meinacht is uniek.