De moment magnitude MWDe moment magnitude wordt gegeven door:

MW =  2/3 10log M0 - 6,1

M0 is het seismisch moment:

M0  =  oppervlak van de breuk 3 de verplaatsing langs de breuk 3 schuifweerstand van het gesteente

lengte van de breuk = 370 km = 370.000 m (alles moet in meters)
diepte van de breuk = 20 km  = 20.000 m 
verplaatsing langs de breuk = 2 m
schuif weerstand van het gesteente = 3,0 1010 Pa (dat is een 3 met 10 nullen erachter)

Nu kun je de moment magnitude uitrekenen.

De oppervlaktegolf magnitude MSMS = 10log (A/T) + 1,66 10log (D) + 3,30

A = de maximale amplitude van de verticale component van de oppervlaktegolf in micrometers.
T = de periode van de oppervlaktegolf in seconden en ligt ongeveer tussen de 17 en 23 sec.
D = de epicentrale afstand in graden en ligt tussen de 20° en 180°.

Op het KNMI hebben we het volgende gemeten:
A = 502 micrometer
T = 20 seconden
D = 6232 km ~ 56,14°

De ruimtegolf magnitude MbMb = 10log (A/T) + Q(D,h)

A = de maximale amplitude van de P-golf in micrometers.
T = de periode van bovenstaande golf in seconden.
Q(D,h)  = een correctie functie voor epicentrale afstand D en diepte h.

Op het KNMI hebben we het volgende gemeten:
A = 0,554 micrometer
T = 1,4 seconden
Q(D,h) = 7,7

ControleEr zijn ook relaties tussen de verschillende magnitudes. Hiermee kun je controleren of de antwoorden die je eruit hebt een beetje kloppen. De beide relaties zijn benaderingen, dus het kan goed dat er niet helemaal precies dezelfde antwoorden uitkomen.

10log M0 = 1,5 MS + 16,1

Mb = 0,56 MS + 2,9

De energieProefondervindelijk heeft men berekend dat iedere toename met één magnitude-eenheid overeenkomt met een 30-voudige verhoging van de vrijgekomen energie in de vorm van seismische trillingen. De hoeveelheid energie die vrijkomt bij een beving van magnitude 7 is dus 900 maal (30 x 30) zo groot als die welke vrijkomt bij een beving van magnitude 5.
Het is mogelijk om energie te koppelen aan de magnitude, Gutenberg en Richter hebben daar relaties voor gevonden.

10log E = 5,8 + 2,4 Mb

10log E = 11,8 +1,5 MS

De energie E wordt dan uitgerekend in 'ergs'. 1 erg = 1,0 x 10-7 Joule = 0,0000001 Joule.

Ook voor deze twee relaties geldt dat het benaderingen zijn, dus dat het heel goed kan dat de twee antwoorden een beetje verschillen.