3 april 2010 -
Pasen wordt gevierd op de eerste zondag na de "kerkelijke" volle maan die op of na 21 maart valt. De kerk is altijd uitgegaan van een vereenvoudigde berekening met de gemiddelde posities van zon en maan en 21 maart als vaste datum voor het begin van de lente. Paaszondag valt ongeveer in het midden van de jaarlijkse paascyclus en bepaalt ook wanneer de andere kerkelijke feestdagen binnen deze cyclus vallen. Zo valt Aswoensdag, waarmee de carnavalsperiode wordt afgesloten, altijd 46 dagen vóór Pasen, Hemelvaartsdag altijd negenendertig dagen later, Pinksteren altijd op de 7e zondag na Pasen.
Rook van de paasvuren die traditiegetrouw in Denemarken, Duitsland en het oosten van ons land worden aangestoken kan onder daarvoor gunstige omstandigheden in het hele land voor overlast zorgen (foto: Jacob Kuiper, KNMI/WPI)
De regels voor het berekenen van de paasdatum werden al in het jaar 325 vastgesteld tijdens het Concilie van Nicea, maar werden aanvankelijk op verschillende manieren toegepast. De Scytische monnik Dionysius Exiguus stelde in het jaar 525 in Rome tabellen en een rekenschema op die dankzij de pauselijke goedkeuring de overhand kregen. Hij paste de berekening zo aan dat de uiterste paasdata liggen tussen 22 maart en 25 april.
Sinds het jaar 532 liggen de data vast. Pas in de 9e eeuw werden de zo berekende paasdata algemeen aanvaard door de Christenen. In de Middeleeuwen bemerkte men echter dat de berekende paasdata merkbaar afweken van de hemelverschijnselen. Zo viel het begin van de astronomische lente steeds vroeger, in de 16e eeuw was deze al tot 11 maart vooruitgeschoven. Ook de data voor de kerkelijke volle maan kon tot drie dagen afwijken van de astronomische volle maan. In die tijd hanteerde men de Juliaanse kalender door Julius Caesar ingevoerd in het jaar 46 voor Christus, waarin men strikt om de vier jaar een schrikkeldag invoerde. In de eerste eeuw vierde de christelijke kerk nog het joodse paasfeest Pesach op de eerste volle maan na 21 maart.
De hervorming van de christelijke kalender die Paus Gregorius XIII in 1582 gebood moest een oplossing bieden voor deze problemen. Eerst liet men tien dagen weg zodat het begin van de astronomische lente weer rond 21 maart viel. Een kleine wijziging van de schrikkeljaarregeling moest ervoor zorgen dat dit in de toekomst ook zo bleef. Voor de berekening van de kerkelijke volle maan werd door de Italiaanse sterrenkundige Aloysius Lilius een verbetering doorgevoerd zodat deze ook gemiddeld in overeenstemming zou blijven met de astronomische volle maan. Het duurde echter ruim een eeuw voordat de Gregoriaanse kalender algemeen werd aanvaard. In veel protestantse gebieden werd de nieuwe kalender pas in 1701 aanvaard. In Nederland aanvaarden Holland, Zeeland en de zuidelijke gewesten vrijwel onmiddellijk de nieuwe kalender maar de overige gewesten deden dit pas in 1700 of in 1701. Gevolg is bijvoorbeeld dat de tornado die de Utrechtse Dom op 1 augustus 1674 in twee stukken splitste, in geschriften die de oude kalenderstijl hanteren, gedateerd is op 22 juli!
In Oost-Europa is in religieuze kringen de oude Juliaanse kalender (met de Dionysiaanse paasdatum berekening) ook tegenwoordig nog in gebruik. De overheid hanteert de Gregoriaanse kalender. De orthodoxe kerken gebruiken ook tegenwoordig nog de Juliaanse kalender, die dertien dagen achterloopt op onze Gregoriaanse kalender. Bovendien hebben sommige orthodoxe kerken een andere en uiterst ingewikkelde berekening bedacht van de paasdatum, waardoor de feestdagen daar op andere data worden gevierd dan bij ons.
Eerste uitgave:
24-04-03
Laatste wijziging:
03-04-10