Nabi veroorzaakt wateroverlast Japan (foto: BBC)
Het gros van de natuurrampen in de wereld is te wijten aan meteorologische en hydrologische omstandigheden. Dagelijks sluimeren honderden watergerelateerde problemen over de wereld, zoals een cycloon met zware regenval, droogte, een lawine, een stormvloed of een modderstroom. In geld uitgedrukt is de schade de laatste decennia duidelijk toegenomen.

De dreiging van het water en de bewustwording van de problematiek is het voor het lage en aan zee gelegen Nederland bepaald niet nieuw. Door de eeuwen heen is strijd gevoerd tegen het water en aan die motivatie hebben we zelfs te danken dat in ons land, in verhouding tot andere landen, al in een zeer vroeg stadium weerkundige waarnemingen zijn  verricht. De waterbouwkundige Nicolaus Cruquius, opziener van Rijnland, die de Spaarndamse dijk en de schut en boezemsluizen moest bewaken, was bezorgd over de waterbeheersing in de laaggelegen polders en droogmakerijen. Droog malen was een probleem maar het droog houden was een volgend probleem, zeker in de natte winterperiode.

Cruquius, ook bekend als cartograaf, begon daarom met een reeks nauwkeurige waarnemingen van temperatuur, neerslag en verdamping om de aan- en afvoer van water en de waterhuishouding goed in kaart te kunnen brengen. Hij pleitte zelfs voor een instituut voor het weer en schreef in 1726 een verzoek, een “requeste” aan de Staten van Holland en West-Friesland, de regering van het land om financiële steun te krijgen voor zijn weerkundige waarnemingen. Het meten van het weer was in het begin van de achttiende eeuw echter nog iets heel nieuws waarvan het nut nog niet meteen werd ingezien. Cruquius kreeg dus nul op zijn rekest. 

Ruim een eeuw later deed Buys Ballot het verzoek van Cruquius over en hij kreeg het wel voor elkaar. Zijn voornaamste argument was het belang van de meteorologie voor de marine en de kosten die bespaard konden worden als de scheepvaart profiteerde van weer en wind door snelle vaarroutes te kiezen en gevaarlijke stormen te ontwijken. Buys Ballot ging verder en wist een internationaal samenwerkingsverband in de meteorologie tot stand te brengen. In 1873 richtte hij de eerste internationale meteorologische organisatie op waaruit op 23 maart 1950 de Wereld Meteorologische Organisatie zou voortkomen, waarin vandaag de dag 187 landen zijn vertegenwoordigd. Nederland wordt bij de WMO vertegenwoordig door het KNMI in De Bilt.