De toren van het gebouw "Neptunus" aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal in Amsterdam, waarop "geregeld bij dag en nacht seinen worden geheschen, die de verwachting betreffende storm aangeven". De foto is gemaakt tijdens "het hijschen van een signaal" (uit: Dagblad De Telegraaf, 22 maart 1923).
De extra stormwaarschuwingen worden op zijn vroegst 6 tot 9 uur vóór de storm gegeven, omdat zulke exacte aanduidingen voor een langere periode vooruit niet mogelijk zijn. Voor Rijkswaterstaat is een periode van 6 uur ook voldoende om de nodige maatregelen te nemen.

Het KNMI begon in het midden van de 19e eeuw met stormwaarschuwingen via seinpalen langs de kust. De meteoroloog Buys Ballot ontwikkelde zo'n seinpaal om luchtdrukverschillen en de wind die daarmee verband hield aan te geven. In de loop van de 20e eeuw hebben de seinpalen plaats gemaakt voor masten met kegels, ballen en vlaggen en nachtseinen.

Vijf jaar na de watersnoodramp van 1916 ging de stormvloedseindienst van de Dienst Getijdewateren, tegenwoordig Rijksinstituut voor Kust en Zee, van start. Sinds het midden van deze eeuw worden speciaal voor de stormvloedseindienst door het KNMI de verwachte afwijkingen van de waterstanden berekend. Daarnaast worden verwachtingen gemaakt van golven, deining en getijstromingen. De actuele waterstanden en verwachte tijden van hoog- en laagwater staan dagelijks op internet en op NOS-teletekstpagina 720.

Automatische metingen van golfhoogte en waterstanden worden gedaan op verscheidene olie- en gasproductieplatforms, meetpalen en meetboeien die samen het Meetnet Noordzee vormen. Op deze platforms zijn sensoren opgesteld voor het meten van windsnelheid en -richting, lucht- en watertemperatuur, luchtvochtigheid en zicht. Sommige platforms meten ook de wolkenhoogte in verband met helicoptervluchten. Deze gegevens worden gebruikt voor de stormwaarschuwingen en verwerkt in de computermodellen, waarmee berekeningen worden uitgevoerd voor de verschillende verwachtingen.