27 februari 2012 -
Het KNMI werd bij koninklijk besluit van Koning Willem III op 31 januari 1854 officieel opgericht. Het initiatief tot oprichting van het KNMI ging uit van meteoroloog prof. C.H.D. Buys Ballot. Als eerste hoofddirecteur koos hij de sterrenwacht Sonnenborgh in Utrecht als locatie. In 1897 verhuisde het instituut naar De Bilt, waar het ook nu nog gevestigd is.
In het jaar 2000 opende Koningin Beatrix het nieuwbouwcomplex van het KNMI in De Bilt, waar de meeste van de circa 450 medewerkers werkzaam zijn
Buys Ballot kon het nut van een nationaal
meteorologisch instituut hard maken. Vooral de scheepvaart zou kunnen
profiteren van zijn weersverwachtingen. De veiligheid op zee was gediend
met stormwaarschuwingen en bovendien kon weerinformatie leiden tot
adviezen voor snelle vaarroutes. Daarmee was het maatschappelijk belang
duidelijk. Ook was er in de vijftiger jaren van de negentiende eeuw
internationaal een roep om de meteorologische berichtgeving te
coördineren en gegevens uit te wisselen. Dat speelde ook een grote rol
bij de plannen voor de oprichting van het KNMI.
Uiteindelijk
adviseerde de Nederlandse regering positief en werd officieel door
Koning Willem III op 31 januari 1854 het KNMI gesticht. Hij hechtte
dermate belang aan het instituut dat meteen bij oprichting het predikaat
koninklijk werd toegekend. Buys Ballot vond op de Utrechtse
sterrenwacht de Sonnenborgh een ideaal onderkomen en daar zou het
instituut tot 1897 gehuisvest zijn. Daarna werd wegens ruimtegebrek
uitgeweken naar De Bilt waar het KNMI nog altijd zijn hoofdvestiging
heeft.
Buys Ballot
De eerste directeur van het KNMI maakte
internationaal naam met zijn wet: met de wind in de rug ligt het
lagedrukgebied links, terwijl aan de rechterkant de luchtdruk hoger is.
Dat geldt voor het noordelijk halfrond, op het zuidelijk halfrond is dat
omgekeerd. De wet van Buys Ballot, over het verband tussen wind en luchtdruk, maakte de weersverwachting mogelijk. Het KNMI was één van de eerste in de wereld met stormwaarschuwingen en weerkaarten. Buys Ballot ergerde zich aan kranten die weinig belangstelling hadden voor "wetenschappelijke" weerkaarten en de volksweerkunde hoogtij lieten vieren. De betekenis van de meteorologie voor de weersvoorspelling drong steeds meer door tot de samenleving.
Vooruitgang in de meteorologie
In de jaren twintig van de 20e eeuw begon de luchtvaart er gebruik van te maken. In 1938 opende het KNMI een filiaal op de luchthaven Schiphol, waarna andere luchthavens volgden. Na de Tweede Wereldoorlog braken gouden tijden aan: nieuwe weerstations, weerschepen, boeien, ballonen, radar, satellieten en computers gaven de meteorologie nieuwe impulsen.
Door internationale samenwerkingsverbanden kon de hele meteorologische wereld de vruchten plukken. De onderzoekers krijgen steeds meer vat op de ingewikkelde fysische processen en het klimaatsysteem. Als klimaatinstituut speelt het KNMI vanaf het begin een leidende rol, zeker de laatste decennia nu klimaatproblematiek hoog op de politieke agenda staat.
Bijna 100 procent naamsbekendheid
De naamsbekendheid dankt het KNMI vooral aan de dagelijkse berichtgeving over het weer. Al in 1924 zond De Bilt via een eigen zender weerberichten de ether in en vanaf 1936 zit het weer in de nieuwsdienst en waren er ook rubrieken met weerpraatjes. Ook bij de start van de TV was het KNMI van de partij en introduceerde de weerman op de buis. In de jaren tachtig van de 20e eeuw ging de commercie in de meteorologie een rol spelen.
Het KNMI is als agentschap van het Minsterie van Infrastructuur en Milieu een volledig publiek instituut dat gewenste gegevens aan onder meer de private sector levert. De taken zijn in de Wet op KNMI vastgelegd. Een van de hoofdactiviteiten van het publieke KNMI is het uitgeven van waarschuwingen met het oog op veiligheid, een doelstelling ook bij de oprichting in 1854.
Wanneer zwaar weer op komst is, dat kan leiden tot problemen of overlast worden waarschuwingen uitgegeven.
Eerste uitgave:
22-01-04
Laatste wijziging:
27-02-12