Dit betekent dat 1700, 1800 en 1900 geen schrikkeljaren waren, maar 1600 en 2000 waren dat wel. Door dit besluit begint de astromische lente rond 21 maart. Het zijn kunstmatige ingrepen om de werkelijke duur van een jaar, net iets meer is dan 365 dagen, na verloop van tijd te corrigeren. Een (zonne)jaar is gedefinieerd als de tijd die de aarde nodig heeft om rond de zon te draaien. De aarde draait in 365 dagen, 5 uren, 48 minuten en 45,1814 seconden om de zon. Als we ons van het verschil niets aantrekken en de duur van een jaar op 365 dagen afronden, dan komen we na vier jaar bijna een dag te kort.

In het verre verleden zijn er verschillende methodes gehanteerd voor de kalenderbepaling: sommige volkeren keken naar de omlooptijd van de maan, anderen hadden een kalender gebaseerd op zon en maan. Julius Ceasar voerde de zonnekalender in waarin een jaar 365 dagen en 6 uur telde. Eens in de vier jaar was er een schrikkeldag en telde 24 februari dubbel. Iedere eeuw is volgens de Juliaanse kalender echter 18 uur te lang en zo schoof het astronomische begin van de lente (het moment waarop dag en nacht precies even lang zijn) steeds verder naar voren.

In het jaar 325 had het Concilie van Nicaea besloten dat 21 maart voortaan het vaste lentepunt zou zijn. Het Concilie van Trente machtigde de Paus in 1563 de kalender te hervormen. Een vaste datum was nodig voor de bepaling van de paasdatum (Paaszondag valt op de eerste zondag die volgt op de eerste volle maan na het begin van de lente). In 1582 liep men dus flink uit de pas en het lentebegin viel toen tien dagen eerder op 11 maart. Paus Gregorius werkte dat verschil weg door 4 oktober 1582 direct te laten volgen door 15 oktober 1582. Om een nieuwe verschuiving van het lentepunt te voorkomen bepaalde hij dat de jaren 1700, 1800 en 1900 geen schrikkeljaren zouden zijn.

Volgens de Juliaanse kalender, waarin elk jaar 11 minuten te lang duurde, waren dat wel schrikkeljaren en dat leverde in vier eeuwen tijd drie dagen teveel op. De kalenderhervorming van Gregorius, waardoor tien dagen uitvielen, leverde veel protest op onder boeren die geloofden in weerregels die aan bepaalde data waren gebonden. De katholieke streken namen de nieuwe kalender weldra over, de protestantse veel later. Daardoor kende ons land in de 17e eeuw twee kalenders: als Utrecht nieuwjaar vierde was het in Amsterdam al 11 januari!

De schrikkeldag 29 februari gooit de klimatologische statistieken in de war. Gemiddeld valt er in de schrikkelmaand 58,1 mm neerslag tegen 55,8 in de overige februarimaanden. De zon schijnt in een schrikkelfebruari gemiddeld 89,1 uur tegen 85,7 uur in de andere februarimaanden. Voor de gemiddelde temperatuur maakt het niets uit: normaal voor februari is een gemiddelde van 3,3 graden.

In 1924 beleefde ons land de koudste 29 februari met in De Bilt –7,8 graden. Ook in 2004 was de schrikkeldag koud met minimaal -5,8 graden in De Bilt. De extremen van de schrikkeldag zeggen weinig over de hele maand. Het kan veel kouder worden, zoals –21,6 graden in februari 1956. De schrikkeldag van 2000 was de natste met 11,1 mm. Ook die hoeveelheid staat in geen verhouding tot de tientallen millimeters die evengoed op een dag in februari kan vallen. De zachtste schrikkeldag had ons land in 1992 toen De Bilt 15,7 graden noteerde. Op 28 februari 1959 was het hier met 17,3 graden nog zachter.