Schematische voorstelling van de omwentelingen van Rayleigh golven.
De twee typen golven die zich over het aardoppervlak verspreiden onderscheiden zich door hun bewegingskarakteristiek. Is de beweging vooral horizontaal dan wordt deze de Love golf genoemd en bij de Rayleigh golf is de beweging verticaal.

Laag frequente oppervlaktegolven worden ook wel mantelgolven genoemd omdat de beweging van deze golven tot diep in de aarde doordringt (de mantel) waarbij de amplitude met de diepte afneemt.

De Rayleigh golf laat zich nog het beste vergelijken met de ringvormige golven die ontstaan wanneer er bijvoorbeeld een steentje in het water wordt gegooid. In tegenstelling tot een glad wateroppervlak kunnen deze golven bij ondiepe zware aardbevingen een aantal malen over het aardoppervlak reizen voordat ze zijn uitgedempt. 

In de afbeelding hiernaast zijn de omwentelingen van de Mantel-Rayleigh golven schematisch weergegeven. Afhankelijk van hun omwenteling krijgen krijgen deze een cijfer, R1, R2, R3... (R1 = 10.000 km, R2 = 30.000 km, R3 = 50.000 km, R4 = 70.000 km, R5 = 90.000 km, R6 = 110.000 km).

Deze oppervlaktegolf bereikt het seismisch station uit twee richtingen met een verschil van 180 graden. In dit voorbeeld is de afstand tussen de beving (aangegeven met een gele ster) en het seismisch station (het huisje) 10.000 km. De omtrek van de aarde is 40.000 km zodat de afstand van de oppervlaktegolf die het seismisch station van de andere kant bereikt (R2) 40.000 min 10.000 is 30.000 km bedraagt.

De Rayleigh golven die uit de richting van het epicentrum komen krijgen een oneven getal R1, R3, R5 ... en uit de tegenovergestelde richting een even getal R2, R4, R6 .... Naarmate de beving sterker is, zijn deze voorbij trekkende golven nog zichtbaar in het seismogram en kan het wel bijna drie omwentelingen duren (R6) voordat deze golf niet meer is waar te nemen.

Het seismogram hieronder toont de registratie in het seismisch station HGN in Zuid-Limburg van een aardbeving bij Sumatra op 4 juni 2000 met een sterkte van 7,9 op de schaal van Richter. In het seismogram zijn de aardbevingsgolven met een lage frequentie zichtbaar gemaakt zodat niet alleen de directe oppervlaktegolf is te zien maar ook de oppervlaktegolf die over de andere kant van de aarde het station heeft bereikt. De directe oppervlaktegolf wordt aangeduid met R1 en heeft voor de afstand van circa 11.000 km een looptijd van circa 40 minuten. De R2 arriveert na circa 2 uur, de R3 na bijna 4 uur en de R6 is nog zichtbaar na ruim 8 uur.