Rijkswaterstaat in Zeeland in actie (foto: Sjaak van den Ham, KNMI)
Sneeuw die grotendeels uit water bestaat, wordt natte sneeuw genoemd. De vlokken zijn dan in de regel groter dan bij temperaturen onder het vriespunt. De plaksneeuw is ideaal voor sneeuwballen, sneeuwpoppen en glijbanen. Bij strenge vorst kunnen de sneeuwvlokjes zeer klein zijn en worden ze aangeduid als poedersneeuw of motsneeuw. Bij rustig weer en temperaturen van meer dan 8 graden onder nul kan er zelfs bij een wolkenloze hemel ook poolsneeuw vallen. De ijsnaaldjes of ijsplaatjes schitteren in het zonlicht.

Veranderen de sneeuwvlokken plotseling van grootte dan wijst dat op een temperatuurverandering op enige hoogte in de atmosfeer. Dat kan invallende dooi zijn of invallende vorst. Bij temperaturen rond het vriespunt en buiig weer kan er ook korrelsneeuw vallen. Dat zijn witte ondoorzichtige en meestal ronde of kegelvormige korreltjes, die op de harde grond opspringen.

Korrelsneeuw is in tegenstelling tot hagel nogal bros en samendrukbaar en kan gemakkelijk uiteenspatten. In tegenstelling tot ijs heeft sneeuw een witte kleur. Dat komt omdat sneeuw een veel minder dichte samenstelling heeft dan ijs. Sneeuw bevat lucht waardoor het licht weerkaatst wordt. Bij sneeuw is de weerkaatsing van licht voor alle kleuren gelijk en dat verklaart de witte kleur. Sneeuw kan soms echter ook een heel andere kleur hebben. Zo lijkt de sneeuw tegen de achtergrond van een donkere lucht een grijze kleur te hebben.

KNMI waarschuwingen op Teletekstpagina 713.