Stof- en zandstormen komen in veel gebieden vooral in het voorjaar voor, wanneer de temperatuurvariaties het grootst zijn, maar in het Golfgebied is de droge zomer de tijd. Irak heeft er dan gemiddeld op 20 tot 30 dagen mee te maken. Hier wordt een zandstorm shamal genoemd en zo kent elk land zijn eigen benaming: sharav in Israël, sirocco in Marokko, chili in Tunesië en ghibli in Lybië. De Egyptenaren noemen een zandstorm khamsin, de vijftig-dagen-wind. Zo langdurig zijn de zandstormen hier echter niet, in werkelijkheid duren ze in het voorjaar ongeveer een week.

Ook het oosten van Azië is berucht om de uiterst onplezierige karaburan, ook wel zwarte blizzard genoemd. Het stof waait met stormwinden vanuit de uitgestrekte Gobi woestijn naar het noordoosten van China, waarna het zich verder kan verspreiden naar Zuid-Korea of Japan. Soms bereikt het stof zelfs de Verenigde Staten, maar het meeste is daar dan al uit de lucht verdwenen.