Mistig IJmuiden (foto: Marco Peters)
De vorming van mist hangt af van veel factoren, niet alleen van weer en wind, maar ook van bodemsoorten, begroeiing, reliƫf, en de nabijheid van warmtebronnen zoals stedelijke bebouwing. Mist kan ontstaan door afkoeling rond zonsondergang of vaak pas tegen zonsopkomst en vormt zich het eerst boven een weiland bij voorkeur in de buurt van een sloot waar de lucht vochtig is. De eerste mist zien we dus meestal langs de weg en mistbanken die de weg opdrijven lossen daar in eerste instantie op door luchtbeweging en warmte van het verkeer. De mistvrije "tunnel" kan op sommige weggedeelten een tijdje standhouden, maar op andere plaatsen hangen de mistbanken meteen over de weg. Vooral zo'n situatie, met grote verschillen in zicht, is gevaarlijk voor het verkeer dat veelal pas in de mist snelheid mindert.

In de verkeersinformatie (op TT-pagina 730) laat het KNMI opnemen hoeveel het zicht wordt beperkt en of de mist zich zal uitbreiden. In de weerkunde is sprake van mist als het zicht in horizontale richting minder dan 1000 meter bedraagt. Voor het wegverkeer houdt dat in dat de lampen en overdag ook de contouren van een voertuig op een vlakke weg op maximaal die afstand zichtbaar zijn. Groot licht is op ongeveer anderhalf keer die afstand zichtbaar, mits de ruiten van de auto schoon zijn. Bij duisternis is het licht over een iets grotere afstand zichtbaar dan overdag.

Bij een zicht van minder dan 400 meter begint het verkeer er last van te krijgen, maar dichte mist met een zicht van minder dan 200 meter is pas hinderlijk. Zeer dichte mist met een zicht van minder dan 50 meter dwingt tot stapvoets rijden.

Bij mist: halveer je snelheid, verdubbel je afstand