De weerballon wordt in de vulhut bij het KNMI gevuld met helium (foto: Martha Appelman)
Elke nacht om 00:00 uur (Universal Time) of vaker bij extreme weersomstandigheden of voor onderzoeksdoeleinden wordt vanaf het waarneemterrein van het KNMI in De Bilt een weerballon opgelaten. Het doel van deze met helium gevulde ballonnen is de metingen bij het aardoppervlak aan te vullen met gegevens van de bovenlucht. Uit de positie van de weerballon worden windrichting en -snelheid berekend. De resultaten worden radiografisch naar De Bilt gestuurd, vandaar dat weerballonnen radiosondes worden genoemd.

De sonde bereikt doorgaans een hoogte tussen 17 en 25 km. Tijdens de vlucht, die één tot twee uur duurt, worden metingen verricht van temperatuur, luchtvochtigheid en luchtdruk. Uit de positie van de sonde worden windrichting en -snelheid berekend. Als de radiosonde omhoog gaat komt hij in steeds ijlere lucht. De (rubber) ballon zal dus groter en groter worden en vroeger of later klappen. De radiosonde komt dan aan de parachute naar beneden.

Helaas zijn gewone radiosondes slechts éénmaal te gebruiken. Wie zo'n sonde vindt mag hem behouden of kan hem inleveren bij het klein chemisch afval of voor verdere verwerking terugsturen naar het KNMI.