De indeling in lente, zomer, herfst en winter is gebaseerd op de positie van de aarde ten opzichte van de zon. De zon is de belangrijkste warmtebron voor aarde en atmosfeer, maar verwarmt de aarde niet gelijkmatig. Bovendien verandert de temperatuur op veel plaatsen van maand tot maand, wat leidt tot de verschillende seizoenen. De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor komt de zon op het noordelijk halfrond (waar ook Nederland ligt) in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter en schijnt daardoor in de zomer langer dan in de winter. De meteorologische seizoenen beginnen, om de klimatologische berekeningen eenvoudig en uniform te houden, steeds op de eerste van de maand, december, maart, juni en september. De astronomische seizoenen beginnen rond de 21e of 22 van die maanden.