Foto: P. Westerveld
Sneeuw ontstaat bij temperaturen onder nul. Bij temperaturen tussen -10 en -23 graden komen in een wolk zowel onderkoelde waterdruppetjes als ijskristallen voor. Door de lagere dampspanning boven ijs komt een transport op gang van waterdruppeltjes (hoge dampdruk) naar ijskristalletjes (lagere dampdruk). De steeds grotere ijskristallen worden ook steeds zwaarder en vallen uiteindelijk als sneeuw naar beneden. Vrijwel alle neerslag begint hoog in de wolk in de vorm van sneeuw, ook in de zomer. Maar alleen als het ook bij het aardoppervlak koud genoeg is (temperaturen net ver boven nul of veel lager) kan de neerslag ook als sneeuw de grond bereiken, anders smelt de sneeuw al tijdens zijn val uit de wolk en zien we het gewoon regenen. Gewone sneeuw bestaat uit sterk vertakte ijskristallen die samengekonterd zijn tot sneeuwvlokken.