Golven worden gevormd door de som van zeegang (door de ter plaatse waaiende wind) en deining (golven die elders zijn opgewekt en uit het brongebied zijn weggelopen). Het KNMI maakt verwachtingen van golfhoogtes. Voor de berekeningen wordt gebruik gemaakt van het computermodel (WAM), dat de onderzoekers van het instituut in samenwerking met een groot aantal landen hebben ontwikkeld. De golfhoogte is het hoogteverschil tussen de top en het dal van de golf. De hoogte van golven hangt vooral af van de sterkte van de wind, maar ook de duur van een storm en de omvang en diepte van het water zijn van belang. Een harde wind (windkracht 7) veroorzaakt op de Noordzee golven van 4 meter hoog, terwijl tijdens een zware storm (windkracht 10) de golven huizenhoog kunnen worden. Het verwaaide schuim geeft de zee een witte aanblik en beperkt het zicht. Een belangrijke factor is ook het verschil in temperatuur tussen de lucht en het water. Vooral in najaar en winter is de aangevoerde lucht soms veel kouder dan het zeewater, waardoor de golven sneller aangroeien dan normaal. Bovendien vormen zich dan boven de Noordzee buien met windstoten die ook bevorderlijk zijn voor de golfgroei.