De eerste weersatelliet werd in 1960 gelanceerd. Sindsdien is de satelliet een van de belangsrijkste hulpmiddelen geworden in de meteorologie, zowel voor de dagelijkse weerberichten als voor onderzoek. De satellieten leveren niet alleen wolkenbeelden maar ook gegevens over infraroordstraling waaruit temperatuur en vochtigheid wordt afgeleid. Satellieten zorgen ook voor gegevens van straling, wind, golfhoogtes, golfpatronen, zeestromingen, ijskappen en nog veel meer. Onderscheid wordt gemaakt tussen satellieten die op een vast punt ten opzichte van de aarde staan, de geostationaire satellieten en satellieten die een cirkelvormige baan over de polen beschrijven, de polaire satellieten. De geostationaire, zoals de serie Meteosat-satellieten kunnen door hun vaste positie veel vaker opnamen maken van eenzelfde gebied dan de polaire. De polaire satellieten zijn vooral geschikt voor details en brengen de poolstreken in beeld.