Speciale vogeltrekradar (superfledermaus)
Postduivenliefhebbers volgen gewoonlijk de weerinformatie op de voet omdat het weer invloed heeft op het koersverloop en de vliegsnelheid van de vogels. Van belang zijn vooral windrichting en -kracht en de vlieghoogte. Bij helder weer, goed zicht en wind van achter vliegen ze op 300 tot 600 meter hoogte. Bij tegenwind, donker weer of nevel, blijven de duiven onder de 20 meter hoogte. Bij buiig weer proberen ze een route te volgen om de buien heen, maar soms lukt dat niet. Onweersbuien kunnen immers ontstaan als de duiven al onderweg zijn. Bovendien gaan deze soms vergezeld van valwinden, windstoten, slagregens en hagel.

Duiven kunnen ook niet tegen laaghangende bewolking of mist en bij motregen raken de vogels doorweekt. Vandaar dat een rustige atmosfeer in een hogedrukgebied met lage bewolking, mist of motregen verre van ideaal is. De kans op een fataal vluchtverloop is groot wanneer de duiven op hun retourvlucht een "warmtefront" passeren. Dwars op de vluchtlijn ligt dan een gebied dat de scheiding vormt tussen warme en vaak vochtige lucht waarin ze gelost zijn en koudere, drogere lucht waarin hun thuisbasis ligt.