Bij mistig weer kan er plotseling lichte regen of –sneeuw vallen. In de meteorologie wordt dat uitsneeuwen of uitregenen genoemd, volgens de Dikke van Dale "tot sneeuw overgaan".  Het proces hangt samen veranderingen in de lucht waardoor de fijne mistdruppeltjes groter worden en eventueel bevriezen. Die veranderingen kunnen optreden doordat de opbouw van de atmosfeer met de hoogte verandert. Gewoonlijk zijn de druppeltjes in mist te klein om te vallen en blijven ze in de lucht zweven. Komen ze in beweging dan botsen de druppeltjes of ijskristalletjes, groeien ze waardoor ze zwaarder worden en als lichte neerslag naar beneden vallen.

Mist kan ook overgaan in lichte sneeuw als er extra veel stofdeeltjes in de lucht komen. Dat gebeurt bij voorkeur bij steden of schoorstenen. De stofdeeltjes fungeren als condensatiekernen die ervoor zorgen dat het vocht in de atmosfeer overgaat in druppeltjes. Is de temperatuur laag genoeg dan kunnen de mistdruppeltjes ook bevriezen.