Ameland in de mist, aan zee ook wel zeevlam genoemd (foto Martha Appelman)
Het meteorologisch zicht is de grootste afstand waarop een zwart object te zien en te herkennen is. Het zicht kan in verschillende richtingen verschillen. Een vermindering van het zicht kan optreden door stof, rook of kleine waterdruppeltjes. Een weertype met veel stof of rook wordt heiig genoemd. Bij zichtafname door waterdruppeltjes wordt gesproken van nevel of mist. Bij nevel is het zicht beperkt tot 1 of 2 kilometer en bij mist bedraagt het zicht minder dan 1 kilometer. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen dichte mist (tussen 50 en 200 meter zicht) en zeer dichte mist (minder dan 50 meter).
Voor de scheepvaart wordt daarnaast ook een andere indeling gebruikt. In het weerbericht van het KNMI via de marifoon spreekt men van goed zicht (good) als het in het algemeen beter is dan 10 kilometer. Bij 4- 10 kilometer is dat matig zicht (moderate), bij 1-4 kilometer of als het in sneeuw of hagel minder is dan 1 kilometer noemt men dat slecht zicht (poor). In scheepsweerberichten wordt gesproken van mist (fog) als het zicht minder is dan 1 kilometer, bij mistbanken (fog patches), als er mist zit bij de kust (coastal fog) of bij ijsmist (freezing fog). Ook combinaties worden gegeven zoals "goed, in neerslag plaatselijk matig zicht (good, locally moderate in showers) of matig, in motregen plaatselijk slecht zicht (moderate, locally poor in drizzle) of slecht zicht, bij de kust kans op mist" (poor, risk coastal fog).