 |
 |
 |
 |
Historie
In den beginne was er het KNMI...
Buys Ballot effende de weg voor huidige macht deskundigen
1 december 2002
F. van Lunteren, Vrije Universiteit Amsterdam en Universiteit Utrecht
Of het nu gaat om gasboringen in de Waddenzee, de aanleg van de Betuwelijn of de aanpak van de gekke-koeienziekte, zonder deskundigen zijn beleidskeuzen nauwelijks meer denkbaar. Ook de burger ondervindt de groeiende invloed van deskundigen in onze samenleving, hetzij door de wettelijke maatregelen die uit hun adviezen voortvloeien, hetzij door talrijke aansporingen en vermaningen. Deskundigen vertellen ons wat we moeten eten en drinken, hoeveel we moeten bewegen, hoe we onze kinderen moeten opvoeden, naar welk schooltype we ze moeten sturen, hoeveel afstand we moeten houden in het verkeer en wat te doen bij confrontatie met zinloos geweld. De wetenschapper: van verguisd randfiguur tot invloedrijk staatsadviseur, verteld aan de hand van de oprichtingsgeschiedenis van het KNMI.
Onze samenleving steunt in toenemende mate op wetenschappelijke kennis. Die kennis is niet alleen verpakt in de technologie die onze bestaan de laatste honderd jaar een ander aanzien heeft gegeven, zij vormt tevens de grondslag voor talloze beleidsbeslissingen. De overheid leunt zwaar op de adviezen en informatie van een grote verscheidenheid aan wetenschappelijke instellingen. Pas na kennisname van de verwachte economische, sociale, milieu-, veiligheids-, of gezondheidseffecten van voorgestelde maatregelen kunnen er knopen worden doorgehakt.
Wij mogen dit alles vanzelfsprekend vinden, zelfs een beknopte historische beschouwing leert dat het beroep van de overheid op de wetenschap in het verleden zelden een automatisme vormde. Wetenschappers, en daarmee deskundigen, hebben hun hedendaagse autoriteit in belangrijke mate bevochten, doorgaans gedreven door behoefte aan patronage en maatschappelijke erkenning. In ruil voor het begeerde boden zij hun beschermheren prestige en praktische adviezen. Al tijdens de Renaissance zochten wiskundigen met succes hun weg naar het hof. Zij wiepen zich op als kenners van militaire zaken als vestingbouw en kogelbanen en - niet minder praktisch voor een vorst met oorlogsplannen - van astrologie. Hun werken droegen zij in vleiende bewoordingen op aan hun beschermheren of vernoemden - Galilei - nieuw ontdekte hemellichamen naar een beoogd broodheer.
De nieuwe wetenschap werd echter veelal met argwaan bekeken, zoals ook Galilei zou ondervinden. Nieuwe denkbeelden, zoals die van de Fransman Descartes, oefenden een grote aantrekking uit op vrijdenkers, in religieus en politiek opzicht. Het karakteristieke Franse antwoord bij monde Colbert was staatscontrole: de oprichting van een koninklijke academie van wetenschappen, mede belast met het geven van praktische adviezen ten behoeve van de staat. Andere vorsten volgden later dit voorbeeld. Ook Nederland kreeg in de Franse tijd een soortgelijk instituut, tot op de dag van vandaag bevolkt met de wetenschappelijke elite. Maar de invloed van wetenschappers op het staatsbestel bleef tot ver in de negentiende eeuw verwaarloosbaar.
De liberale machtsgreep van de Thorbecke en de zijnen veranderde daar in eerste instantie weinig aan. Waar absolute vorsten zich graag opwierpen als beschermers van kunsten en wetenschappen vonden de liberalen dit alles geen staatszaak. De overheid achtte zich verantwoordelijk voor onderwijs - en dus ook hoger onderwijs oftewel de universiteiten - maar niet voor wetenschappelijk onderzoek. De enige Nederlandse astronoom van betekenis, Frederik Kaiser, mocht nog zo ijverige de staat, en met name de marine, zijn professionele diensten aanbieden, Thorbecke weigerde hem te voorzien van een deugdelijk observatorium. Des te opvallender is de oprichting in 1854 van de eerste staatsinstelling voor onderzoek in een specifieke tak van wetenschap, namelijk het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut.
Tomeloze ambitie De oprichtingsgeschiedenis is illustratief voor de wijze waarop wetenschap zich aanvankelijk een plek verwierf in onze samenleving en verdient daarom enige uitwijding. De initiatiefnemer, tevens eerste directeur, was de Utrechtse hoogleraar wiskunde Buys Ballot. De jonge en veelzijdige Buys Ballot combineerde een grote toewijding aan de wetenschap met een tomeloze ambitie. Maar een reputatie als wiskundige was voor hem niet weggelegd; daartoe ontbrak het hem aan talent en werkelijke belangstelling. Al spoedig richtte hij zich daarom op het nog nauwelijks ontgonnen vakgebied van de meteorologie. Enerzijds waren hier de grondwetten nog niet ontdekt, anderzijds hoopte Buys Ballot dat de snelle ontwikkeling van de telegrafie het opsporen van die wetten zou vergemakkelijken. Gelijktijdige waarneming van grootheden als druk, temperatuur en windkracht en -richting op een groot aantal verspreide plaatsen zou de doorbraak moeten bewerkstelligen. In 1848 kwam het tot de oprichting van een grotendeels door hemzelf gefinancierd meteorologisch en aardmagnetisch observatorium. Zijn studievriend Krecke nam de verantwoordelijkheid op zich voor de waarnemingen, Buys Ballot zelf zou deze bewerken en vervolgens laten drukken. Hij riep landgenoten op het nieuwe project te ondersteunen door op gezette tijden van de dag meteorologische waarnemingen te verrichten volgens een Utrechts protocol. Aldus ontstond een groeiend netwerk van Nederlandse 'waarnemingstations'.
Maar de ambities van Buys Ballot reikten verder: Utrecht zou deel uit moeten maken van een internationaal meteorologisch netwerk. Een aantal buitenlandse meteorologen had zich reeds bereid getoond om waarnemingen naar Utrecht op te sturen. Maar voor de beoogde expansie was meer nodig, namelijk de medewerking van het rijk. De regering zou de continuïteit van het project moeten waarborgen door de oplopende kosten voor haar rekening te nemen, maar belangrijker nog was het internationale gezag dat Buys Ballot als vertegenwoordiger van een nationaal instituut zou aankleven. Dit laatste was immers noodzakelijk wilde hij ook buiten Nederland een voortrekkersrol vervullen.
Om de regering te overtuigen van de wenselijkheid van zijn plannen diende Buys Ballot economische baten te laten prevaleren boven zuiver wetenschappelijke belangen. Om de praktische betekenis van de meteorologie voor het voetlicht te brengen richtte Buys Ballot zich bovenal op de scheepvaart. Het mes sneed hier aan twee kanten. Enerzijds bood de scheepvaart hem de mogelijkheid zijn netwerk aanzienlijk uit te breiden, anderzijds verschafte zijn bemoeienis met de scheepvaart hem de gewenste maatschappelijke legitimiteit voor zijn wetenschappelijke onderzoekingen. Uit veelvuldige meteorologische scheepswaarnemingen zouden na bewerking praktische adviezen kunnen worden afgeleid voor veilige en snelle vaarroutes.
Modeljournaal van het Utrechts observatorium (bron: C.H.D. Buys Ballot, Uitkomsten der meteorologische waarnemingen gedaan in 1849 en 1850 te Utrecht en op eenige andere plaatsen in Nederland (Utrecht 1851)
Van doorslaggevende betekenis waren zijn contacten met de marine-officier M.H. Janssen. Deze laatste wenste de maritieme meteorologie in Nederland van de grond te tillen ten bate van de scheepvaart. Door samenwerking met Buys Ballot, de representant van de wetenschap, hoopte hij zijn kansen te vergroten. Omgekeerd betekende Jansen voor Buys Ballot een mogelijke ingang tot de scheepvaartkringen. Als praktisch zeeman zou hij het traditionele wantrouwen jegens de wetenschap binnen deze sector kunnen wegnemen. Gezamenlijk bewerkten zij de politiek. Jansen wendde zich tot de minister van Marine, Buys Ballot tot Thorbecke, als minister van Binnenlandse Zaken tevens verantwoordelijk voor de afdeling Nijverheid.
Koopmansgeest Buys Ballot speelde met verve zijn troeven uit. Hij verhief de zaak tot een van nationaal prestige en, veel belangrijker, van commerciële belangen. Zo rekende hij de minister voor hoe uit enkele scheepsjournalen reeds een aanzienlijke verkorting van de reis naar Java kon worden afgeleid. Thorbecke was voldoende onder de indruk om financiële ondersteuning toe te zeggen. Het laissez-faire legde het af tegen de koopmansgeest. Onder zijn opvolger Van Reenen kwam het instituut daadwerkelijk tot stand. Hij meende aldus te handelen in de geest van zijn voorganger. Thorbecke zelf beweerde achteraf dat hij nooit verder had willen gaan dan subsidiëring. In zijn ogen was de overheidsbemoeienis hier te ver doorgeschoten. Sommige kamerleden vroegen zich overigens hardop af waarom niet volstaan had kunnen worden met de oprichting van de 'nuttige' zeevaartkundige afdeling. Het daadwerkelijke economische nut van deze afdeling was overigens twijfelachtig. Datzelfde gold in nog sterkere mate voor landafdeling, die zich naast het wetenschappelijk werk richtte op stormwaarschuwingen en, vanaf de jaren tachtig, op weersvoorspellingen. Dit laatste was toen nog een heikele zaak.
Het KNMI gezien vanaf Servaasbolwerk in Utrecht. Deze mooie prent van het instituut is gemaakt kort na de bouw rond 1856 (steendruk van P.W. van de Weijer).
Onder het bewind van Buys Ballot en diens opvolgers breidden de omvang en de invloed van het instituut zich geleidelijk uit. Het aardmagnetische werk groeide uit tot een geofysische tak die zich na de eeuwwisseling vooral ging bezighouden met seismologisch onderzoek. Het instituut richtte zich daarnaast met succes op de landbouw. Dit resulteerde in een aparte afdeling voor landbouwmeteorologie. Landbouwers werden voorzien van klimatologische informatie en gewaarschuwd voor nachtvorst en aardappelziekte. In de jaren twintig kwam - na de watersnood van 1916 - tevens een 'stormvloedwaarschuwingsdienst' tot stand. De opkomst van de luchtvaart - op zichzelf van enorme betekenis voor de ontwikkeling van de meteorologie - resulteerde in een afdeling luchtvaartmeteorologie.
Aëroklinoskoop, de stormseinpaal van Buys Ballot uit de negentiende eeuw. Met dit apparaat werd de grootte van het luchtdrukverschil in Nederland aangegeven. Hoe groter het drukverschil, hoe schuiner de stand en hoe harder de wind.
Aëroklinoskoop, de stormseinpaal van Buys Ballot uit de negentiende eeuw. Met dit apparaat werd de grootte van het luchtdrukverschil in Nederland aangegeven. Hoe groter het drukverschil, hoe schuiner de stand en hoe harder de wind.
De enorme vooruitgang van de meteorologie in de twintigste eeuw heeft in de loop van de twintigste eeuw geleid tot doorgaans betrouwbare voorspellingen, althans op de korte termijn. In die zin heeft het KNMI zijn belofte ingelost. Als rijksinstelling en monopolist bleef het KNMI zijn publieke taken én zijn economische betekenis benadrukken. In een publieksgerichte brochure van 1977 wordt uitdrukkelijk vermeld dat volgens berekeningen van het verantwoordelijke ministerie, Verkeer en Waterstaat, de baten van het KNMI de kosten met een factor twintig overtreffen. Hoewel inmiddels niemand meer zal twijfelen aan het nut van een nationaal meteorologisch instituut lijkt deze 'deskundige' bepaling weinig meer dan een slag in de lucht.
Lange tijd was het KNMI enig in zijn soort. Pas rond 1900 kwam een tweede wetenschappelijke rijksinstelling tot stand, namelijk het CBS, en dat na lang aandringen van statistici. Eind negentiende eeuw eiste wetenschappers steeds krachtiger de maatschappelijke erkenning op die hen naar eigen inzicht ten onrechte onthouden werd. Wetenschap was immers de motor van de vooruitgang. Tijdens de Eerste Wereldoorlog schaarden de wetenschappers zich enthousiast achter de nationale zaak. Zij boden de militairen nadruk hun diensten aan. Na enige aarzeling raakten die geleidelijk aan overtuigd van de bruikbaarheid van gifgassen, geluidmetingsmethoden voor de detectie van vijandelijk geschut, en andere nieuwe snufjes. Langzaam maar zeker raakten de overheden geïnteresseerd in wetenschap.
Met dank aan de oorlog De werkelijke doorbraak volgde echter pas na de Tweede Wereldoorlog. De oorlog zelf had de Westerse regeringen voorgoed doordrongen van de militaire en economische betekenis van ogenschijnlijk esoterische onderzoeksgebieden zoals de kernfysica. Met inzet van voldoende middelen en wetenschappelijk talent konden ongekende resultaten worden geboekt. Dit alles resulteerde in ruimhartige financiële steun voor grootschalige projecten. De wetenschap diende de veiligheid van het Westen te garanderen, ziektes uit te roeien, het energieprobleem op te lossen en mensen op de maan te zetten. Tegelijkertijd bestond er toenemende zorg over de snelle veranderingen onder invloed van de natuurwetenschap. De panacee voor de hieruit voortvloeiende maatschappelijke problemen was meer wetenschap. Het gevolg van deze nieuwe overheidsfilosofie was een snelle toename van door de overheid in het leven geroepen wetenschappelijke instellingen, zoals TNO, het Centraal Planbureau, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, het Sociaal Cultureel Planbureau enzovoort. Deze instellingen stellen de overheid in staat te waken over onze veiligheid, gezondheid, welvaart, cultuur en natuur. Hun nauwelijks te overschatten invloed wordt gelegitimeerd door hun wetenschappelijk karakter. Die garandeert immers betrouwbaarheid, transparantie en onafhankelijkheid, zoals zij veelvuldig benadrukken.
Maar het vertrouwen in de wetenschap - en daarmee ook in deskundigen - is al jarenlang aan sterke erosie onderhevig. Wetenschap en technologie mogen onze welvaart hebben verhoogd, datzelfde geldt niet noodzakelijkerwijs voor ons welzijn. Ook hebben zij ziekten als kanker en aids niet kunnen elimineren en geen oplossingen geboden voor het energieprobleem of de wereldwijde tekorten aan voedsel en drinkwater. Als een van de motoren achter de ongebreidelde economische groei worden zij veelal mede verantwoordelijk gehouden voor daaruit voortvloeiende problemen. Nieuwe ontwikkelingen zoals de biotechnologie worden met hetzelfde wantrouwen bejegend als eertijds de kernenergie, niettegenstaande de vele pogingen van deskundigen om dat wantrouwen weg te nemen.
Nu kunnen er bij die vermeende betrouwbaarheid ook wel wat vraagtekens worden geplaatst. Wetenschap, hoe succesvol ook, blijft tijd- en cultuurgebonden mensenwerk en levert geen absolute en tijdloze zekerheden. Betrouwbare uitspraken betreffen doorgaans eenvoudige en geïdealiseerde situaties. Bij toepassing van zelfs de best gefundeerde theorieën op complexe systemen veranderen harde resultaten nog al eens in gefundeerde gissingen of geleerde onwetendheid. Dat is niet erg zolang deskundigen een gepaste bescheidenheid aan de dag leggen. Weinig is schadelijker voor het imago van de wetenschap dan zelfoverschatting of bluf. Het KNMI heeft deze les al lang geleerd. Weersvoorspellingen staan voortdurend open aan publieke controle en het heeft daarom weinig zin de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn.
Maar andere instellingen hebben daar veelal meer moeite mee. Hun opdrachtgever verwacht harde en eenduidige resultaten. Beleidsondersteunende organisaties doen in de regel hun uiterste best om naar buiten toe betrouwbaarheid en eensgezindheid uit te stralen. De krampachtige manier waarop instellingen als het CPB en het RIVM in het verleden met interne dissonanten omgingen, spreekt wat dat betreft boekdelen. Deze houding strookt niet met het open karakter van diezelfde wetenschap waarop zij zich beroepen. Controverse is een normaal en gezond verschijnsel binnen de wetenschap en dat kan maar beter duidelijk zijn. Ook het onwetende publiek zal het niet ontgaan dat deskundigen veelvuldig met elkaar van mening verschillen.
Kritische houding Waar de wetenschap geen eenduidige antwoorden geeft, rijzen automatisch vragen over de onafhankelijkheid van de deskundigen. Onderzoekers zijn zich maar al te zeer bewust van de door hun opdrachtgevers gewenste uitkomsten. Resultaten van door de fabrikant gefinancierd onderzoek naar de effecten van geneesmiddelen bleken in een aantal gevallen significant te verschillen van de uitkomsten van onafhankelijk onderzoek. Medische tijdschriften eisen tegenwoordig dan ook een duidelijke vermelding van de geldschieters. Ook door de overheid geraadpleegde deskundigen staan bloot aan dergelijke druk, zeker als de politieke belangen groot zijn. Menigeen vroeg zich hardop af of het NIOD wel de juiste instantie was voor een kritisch onderzoek naar het handelen van de eigen broodheer in de Srebrenica-affaire. Voor de goede orde, het gaat hier niet, althans niet noodzakelijk, om moedwillige verdraaiing van feiten, maar om subtiele en grotendeels onbewuste processen. En zelfs al zouden de onderzoeksresultaten glashard zijn, dan is de interpretatie daarvan nog niet eenduidig. Waar vuistdikke onderzoeksrapporten moeten worden teruggebracht tot een paar A4-tjes met conclusies en aanbevelingen is het onvermijdelijk dat enige vertekening optreedt. Maar die kan wel bepalend zijn voor de uiteindelijke politieke keuze. Dit alles is nog geen reden voor grote zorg, maar wel voor een kritische houding ten aanzien van deze onzichtbare beleidsbepalers. Het is daarom goed dat diverse belangengroepen over eigen deskundige hulptroepen beschikken. Nog beter zou het zijn als de beleidsmakers, degenen die hen controleren, en meer algemeen de kiezers wat meer belangstelling aan de dag zouden leggen voor wetenschap, zowel wat betreft de inhoud, als de wijze waarop deze tot stand komt. Democratie en onwetendheid verdragen elkaar niet in een kennismaatschappij.
Frans van Lunteren is verbonden aan de Faculteit Exacte Wetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam als hoogleraar geschiedenis van de wiskunde, informatica en natuurwetenschappen. Daarnaast is hij werkzaam als docent/onderzoeker bij het Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen van de Natuurwetenschappen aan de Universiteit Utrecht.
Eerste uitgave:
01-12-02
|
 |
|
|