 |
 |
 |
 |
Weer algemeen
Heteluchtballonnen, heerlijk varen op de wind
1 januari 1998
Adrie Huiskamp, KNMI
"Goedenavond, met ballonvaartcentrum Rotterdam....."; zo nam enkele jaren geleden de meteoroloog op de luchthaven Rotterdam de telefoon op. Die mooie zomeravonden met prachtige ballonvluchten zijn er gelukkig nog, maar in de dienstverlening is inmiddels veel veranderd.
Voor ballonvaarders zijn er speciale, gedetailleerde verwachtingen gekomen en de grote vraag naar deze informatie geeft aan hoe belangrijk het weer voor de ballonvaartwereld is. Een luchtballon heeft geen eigen aandrijving en is volledig afhankelijk van weer en wind; het hangt van de wind af waar de ballon terechtkomt. De afgelopen vijfentwintig jaar heeft het varen met heteluchtballonnen een enorme vlucht genomen. Was de ballonsport vroeger een vorm van luchtsport, nu zijn er naast hobbyïsten tal van commerciële ballonvaartbedrijven. In 1998 telde alleen al ons land circa 150 ballonpiloten en meer dan 250 ballonnen. In het zomerhalfjaar wordt vrijwel dagelijks met deze ballonnen gevaren, tenminste wanneer het weer dat toelaat. Meestal in het weekend en vrijwel altijd 's avonds, maar soms ook 's ochtends vroeg. De atmosfeer is 's ochtends en 's avonds rustiger dan overdag, wanneer de zweegvliegtuigen, die profiteren van de opwaartse wind (thermiek), in de lucht zweven. Ballonvaarders en hun passagiers moeten dus alles van het weer weten alvorens ze de lucht in kunnen en voor die informatie zijn ze aangewezen op het KNMI. Er wordt door ballonvaarders zo vaak een beroep gedaan op de meteorologen dat speciale verwachtingen onontbeerlijk zijn. Daarbij draait alles om de wind en een paar aspecten hebben speciaal de interesse van de ballonvaarder.
De ballon volgt de richting van de windEigenlijk zijn ballonnen prima windwijzers: de ballon drijft immers precies in de richting van de wind op vaarhoogte. Ballonvaarders moeten daar heel efficiënt gebruik van maken omdat de windrichting met de hoogte kan variëren. Door op een andere hoogte te varen kan de ballonvaarder zijn ballon enigszins sturen en daar zijn aardige grappen mee uitgehaald. Ooit steeg een heteluchtballon met hoge gasten voor de ogen van talrijke toeschouwers op vanaf het strand om boven zee in de nevel te verdwijnen. De ballonvaarder had van de luchtvaartmeteoroloog begrepen dat er op enige hoogte een westenwind stond en was er dus zeker van dat de ballon uiteindelijk weer boven land zou terugkomen. Groot was de verbazing toen de toeschouwers even later hoorden dat de ballon daar veilig en wel was geland!
Windsnelheid kan spelbreker zijn De snelheid van de wind is niet alleen van belang om te weten hoe snel de ballon op een bepaalde plek kan zijn. Veel belangrijker is dat het bij de grond niet te hard mag waaien. Bij de start wordt een ballon met hete lucht gevuld en bij teveel wind lukt dat niet. Voor de landing komt de ballon aanvaren met de snelheid van de wind op circa 15-20 meter hoogte. Een beetje ballon is immers zo'n 30 meter hoog. Waait het dan te hard waait, dan komt de rieten mand met een klap tegen de grond, en wordt daarna nog een flink aantal meters over de grond gesleurd voordat alle hete lucht uit de ballon is, de lege ballon op de grond ligt en alles stil ligt. Als het terrein waarop geland wordt dan te klein is, kan de ballon in prikkeldraad of in een boom terecht komen. De ballonvaarder zit daar natuurlijk niet op te wachten en is ook om zulke redenen gespitst op de verwachtingen van de luchtvaartmeteoroloog in De Bilt. Drie keer per dag worden, speciaal voor de ballonvaart, verwachtingen gemaakt van onder meer windrichting en -snelheid aan de grond en voor een aantal verschillende hoogten voor verschillende delen van het land. De ballonvaarders kunnen deze berichten beluisteren via de telefoon of opvragen via het KNMI-extranet voor de luchtvaart. Ze kunnen zo al ruim tevoren zien of er een goede kans bestaat dat ze kunnen varen, zo mogelijk met passagiers in de mand. Belangrijk is dat de windsnelheid bij de grond onder de veilige grens blijft van 10 knopen, wat overeenkomt met 18 kilometer per uur. Ook op geringe hoogte mag het niet te hard waaien, maar te weinig wind is ook niet goed. De ballon kan dan stil blijven hangen boven een stad, een hoogspanningsleiding, een bos of noem maar op.
Regen- en vooral onweersbuien zijn uit den bozeRegen is in een ballon ook geen pretje. Het water druipt van de ballon in de mand en bovendien kan het materiaal waarvan de ballon is gemaakt niet goed tegen nattigheid en wordt de ballon veel te zwaar. Buien, en vooral onweersbuien kunnen groot gevaar opleveren. Niet zozeer door de regen, maar vooral vanwege de windstoten die daarbij op kunnen treden. De wind kan heel plotseling sterk in kracht toenemen, soms tot meer dan 50 km/uur. Het spreekt voor zich dat vooral tijdens start en landing gevaar opleveren, maar ook tijdens de vaart is het risico groot. Meteorologen zien de buien meestal wel tijdig aankomen, maar waar de regen precies valt wordt pas 1 tot 2 uur tevoren duidelijk.
Rustige zomeravonden waarop buien voorkomen of ontstaan, zijn de drukste voor de luchtmeteorologen van het KNMI. De telefoon staat dan roodgloeiend, omdat iedere ballonvaarder wil weten of de buien op zijn route kunnen komen. Met behulp van de beelden van de weerradar kan de meteoroloog dat soms tot op één kilometer nauwkeurig aangeven. Op festivals, waar tientallen ballonnen kort na elkaar de lucht in gaan, luistert zo'n buienverwachting nog nauwkeuriger. Soms is daar een meteoroloog ter plekke om het ballonfeest te begeleiden en de veiligheid te waarborgen.
Steeds meer ballonvaarders halen de radarbeelden en verwachtingen via hun PC binnen en dat zullen er in de toekomst alsmaar meer worden. De vraag om informatie zal echter groot blijven. Ballonvaarders en meteorologen kunnen niet zonder elkaar.
Bewerkt naar: Bevlogen door het weer: luchtvaartmeteorologie in Nederland. KNMI, De Bilt, 1998.
Eerste uitgave:
01-01-98
|
 |
|
|