 |
 |
 |
 |
Weer algemeen
Wat is de waarde van weerregels voor de winter? (1)
Deel 1
11 november 2005
Geert Jan van Oldenborgh, KNMI
Er zijn veel weerspreuken en andere ervaringsregels in omloop die moeten aangeven of de winter koud wordt. Met moderne technologie is het vrij simpel om van sommige daarvan na te gaan of ze met de waarnemingen van de afgelopen eeuw overeenstemmen. Een goede winterverwachting uitgeven willen we allemaal.
Oktober Is oktober warm en fijn, het zal een strenge winter zijn. Hiervan heb ik al veel variaties gehoord. Het is niet zo moeilijk om van de afgelopen 100 jaar de oktober temperatuur tegen de wintertemperatuur uit te zetten. Als dit waar zou zijn, zouden er veel jaren rechtsonder moeten zitten: een warme oktober gevolgd door een koude winter. Met de KNMI Climate Explorer is dit in ongeveer tien muisklikken te doen, het resultaat staat hieronder. Rechtsonder is te zien dat de regel voor 1995/1996 is opgegaan, en ook voor 1969/1970. Echter, in 1989/1990 en 2001/2002 ging het net zo hard niet op, en werd een warme oktober door een zeer zachte winter gevolgd. In het algemeen is er een lichte tendens voor koudere winters na een warmere oktober, maar die is zo klein dat het net zo goed toeval kan zijn (p=37% voor de statistisch onderlegde lezers, oftewel als er geen verband is heb je een kans van 37% dat je een even scheve of schevere lijn vindt; als het p-getal klein is, zeg onder de 5%, is er weinig kans dat het verband puur toeval is).
De oktobertemperatuur als voorspeller van de wintertemperatuur over de laatste 100 jaar. Het jaartal is het jaar van de herfst en december, dus de winter van 1995/96 staat als 1995 in de grafiek.
Zonnevlekken Foto: C. Severijns Zo'n honderd jaar geleden werd algemeen aangenomen dat de zonnevlekkencyclus het weer bepaalde. Zelfs in de jaren 1950 werden er nog serieuze pogingen gedaan het weer hiermee een aantal jaren vooruit te voorspellen. Daarna is men zich toch gaan realiseren dat die voorspellingen niet vaak uitkwamen, en zijn de zonnevlekken op het KNMI in onbruik geraakt. Daarbuiten schijnen ze nog veel gebruikt te worden om de felbegeerde winterverwachting te maken. Zonnevlekken
In de meest simpele vorm wordt gesteld dat strenge winters een laag zonnevlekkengetal hebben, bijvoorbeeld naar aanleiding van de observatie dat behalve 1947 alle elfstedentochten verreden zijn in een maand met minder dan 50 zonnevlekken. Nu heeft 2/3 van alle maanden een zonnevlekkengetal onder de 50, dus er moeten ook heel veel heel zachte wintermaanden bij zijn. Ook hier biedt een grafiekje uitkomst. Daarin is te zien dat er vrijwel evenveel zachte winters met weinig zonnevlekken waren als strenge. Er is weer een heel licht verband de goede kant op, maar dit is weer weinig betrouwbaar (p=39%). Zelfs over de bijna 300 jaar van de Zwanenburgreeks wordt dit niet beter.
Het aantal zonnevlekken als voorspeller van de wintertemperatuur over de laatste 100 jaar. Ook hier geeft het jaartal de eerste helft van de winter aan.
Een recente variant van de zonnevlekkentheorie zegt dat de polariteit van het magnetische veld van de zon een rol speelt - dat is de ene cyclus van 11 jaar evenwijdig aan dat van de aarde, en de volgende cyclus tegengesteld. We zouden dus naar de volle 22-jarige cyclus moeten kijken. Ook dat is zo gedaan. de dubbele reeks staat sinds vandaag in de Climate Explorer. Over de hele eeuw is weer geen enkel verband te zien.
Zeewatertemperatuur De temperatuur van de oceanen beïnvloedt het weer in grote delen van d wereld. Het bekendste voorbeeld is El Niño, een opwarming langs de evenaar van de Stille Oceaan. El Niño en de tegenhanger La Niña verstoren het weer over grote delen van de wereld, en zijn daar de basis voor seizoensverwachtingen. Het effect van El Niño in de winter in Europa is echter heel erg klein, alleen in voor- en najaar is er een meetbaar effect.
De Atlantische Oceaan is een stuk dichter bij huis, misschien heeft de temperatuur daarvan invloed op de wintertemperatuur? De standaard manier om naar verbanden te zoeken is een kaartje maken van de correlatiecoëfficient, een getal tussen -1 en +1 dat aangeeft hoe sterk de zeewatertemperatuur samenhangt met de winter in Nederland. Een 0 geeft aan dat er geen enkele samenhang is, een +1 dat warmer zeewater altijd samengaat met een warmere winter. Een probleem is dat je door puur toeval altijd wel wat vlekken met correlatie vindt, dus die moeten je op basis van andere gegevens proberen te bevestigen.
Onderzoekers van het Britse Met Office hebben zo een verband gevonden tussen de zeewatertemperatuur in mei en de temperatuur in noordwest Europa de volgende winter. Over de periode 1948-1997 is dit duidelijk te zien als het patroon van warm water in de Noordzee, koud bij Groenland, warm bij de oostkust van de verenigde staten en koud bij Zuid-Amerika. Dit jaar is het temperatuurverloop op de Atlantische Oceaan juist omgekeerd, en dus voorspelt het Met Office meer kans op een strenge winter. Een goede manier om te onderzoeken of dit verband werkelijkheid is of toeval, is om te kijken of het in onafhankelijke data terugkomt. We hebben geluk: de onderzoekers van het Met Office hebben alleen naar de periode 1948-1997 gekeken. De metingen van zeewatertemperatuur van de eerste helft van de twintigste eeuw zijn ook vrij goed, dus laten we kijken of het in de periode 1900-1947 ook aanwezig is. Dit blijkt niet het geval te zijn, zie hieronder. De conclusie is dus dat het verband waarschijnlijk toevallig is, en daardoor geen basis voor voorspellingen. Dit wordt verder onderbouwd door het feit dat het in april en juni ook niet voorkomt.
De correlatie tussen de wintertemperatuur in De Bilt en zeewater (en land) temperatuur in mei van het jaar er voor. Boven: de periode 1947-1997 waarop het Met Office zijn voorspellingen baseert. Onder de onafhankelijke periode 1900-1947. Het gebrek aan overeenstemming toont aan dat het patroon waarschijnlijk op een toevallige samenloop van omstandigheden gebaseerd is. Witte gebieden geven aan dat er onvoldoende waarnemingen zijn om de correlatie te berekenen.
Orkanen Een voor mij nieuwe voorspelling: als er veel orkanen geweest zijn, zou een strenge winter volgen. Ook hiervan is het simpel een grafiek te maken. Het verband ging goed op in dezelfde twee jaren die bij oktober genoemd werden: de winters van 1969 en 1996 werden voorafgegaan door seizoenen met respectievelijk 17 en 19 tropische stormen in het Atlantische gebied. Dit jaar hadden we er 23 (tot nu toe, er is nog een kansje op nog een). Helaas werden de twee jaren met 15 tropische stormen, 2001 en 2003, gevolgd door heel zachte winters. Ook omgekeerd gaat het verband slecht op: de winters van 1963 en 1947 werden voorafgegaan door slechts 5 en 6 tropische stormen, ver onder het gemiddelde van 10. Dus: ook weer geen aantoonbaar verband (p=55%).
Het aantal orkanen en iets minder sterke tropische stormen als voorspeller van de wintertemperatuur over de laatste 61 jaar. Ook hier geeft het jaartal het jaar van het orkaanseizoen en dus de eerste helft van de winter aan.
Er is overigens wel een duidelijk verband tussen het aantal orkanen en de oktobertemperatuur (p<1%). Dit kan op twee manieren verklaard worden. Het kan zijn dat de resten van die orkanen voor een gemiddeld zuidelijker stroming zorgen of zachtere lucht naar het noorden transporteren, of het kan zijn dat een factoren die voor een gemiddeld warmere herfst zorgt, warm zeewater op de Noord-Atlantische Oceaan, ook voor gemiddeld meer orkanen zorgt. Nader onderzoek leert dat de eerste factor de belangrijkste is: in oktober in een actief orkaanseizoen is er gemiddeld meer zuidenwind (p=2%).
Het aantal orkanen en iets minder sterke tropische stormen als voorspeller van de windrichting in oktober over de laatste 61 jaar.
Eerste uitgave:
11-11-05
|
 |
|
|