Weer en klimaat Nederland
Droogte en hitte in Nederland: veel gestelde vragen
17 juli 2006
Rob van Dorland, KNMI
De droogte en hitte van deze zomer (2006) roept veel vragen op: is er een verband tussen hitte en droogte, zit er een trend in de zomertemperatuur, heeft de hete zomer te maken met het broeikaseffect en hoe zien onze zomers er in de toekomst uit? In het Kenniscentrum geeft het KNMI antwoord op de meest gestelde vragen.
Vraag (V): hoe wordt het neerslagtekort gemeten en berekend?
Antwoord (A): Het KNMI meet niet alleen bij hoeveel neerslag er valt, maar ook hoeveel vocht verdwijnt: de verdamping. Met name voor de land- en tuinbouw is dat van belang. Uit kale grond verdampt weinig, anders is dat op begroeide terreinen waar plantenwortels in de bodem zuigen om vocht te onttrekken. De beschikbare hoeveelheid vocht hangt af van het verschil tussen de neerslag en verdamping. Het is niet eenvoudig om de verdamping te meten, omdat ook de planten zelf een rol spelen in het verdampingsproces. Op dagen met hoge temperaturen en veel zonlicht zijn planten in staat hard te groeien en is er veel water nodig. Vlak na regen kunnen planten die groei ook realiseren, maar zodra meer zuigkracht nodig is om water uit de grond op te nemen, wordt de aanvoer van vocht geremd en vermindert de groei. Naarmate een plant minder snel groeit, neemt ook de verdamping af.
Om die ontwikkeling goed te kunnen volgen heeft het KNMI het begrip "referentie-gewasverdamping" in het leven geroepen. De grootte van de verdamping wordt berekend volgens een bepaalde methode. De berekening heeft betrekking op grasland dat voorzien is van voldoende vocht. Daarbij speelt de hoeveelheid zonnestraling een belangrijke rol. Met behulp van gewasfactoren kan de verdamping voor verschillende planten/gewassen worden berekend. Door dagelijks het verschil te berekenen tussen de hoeveelheid neerslag en de berekende verdamping en deze getallen op te tellen over het seizoen wordt het "doorlopend potentieel neerslagoverschot" verkregen. Een negatief getal geeft een vochttekort aan, een positief getal een vochtoverschot. Door het potentieel neerslagoverschot te volgen wordt inzicht verkregen in het verloop in de tijd en het verminderen/vermeerderen van de vochtvoorraad van de bodem.
(V): Is er een verband tussen extreme hitte en droogte?
(A): Wanneer tijdens een langdurige warmteperiode een groot deel van het bodemvocht verdampt is, wordt de door het aardoppervlak opgenomen zonne-energie vrijwel geheel gebruikt voor de opwarming van het oppervlak en de lucht erboven. Indien er nog wel voldoende vocht in de bodem zit gaat namelijk een groot deel van de opgenomen zonne-energie "verloren" aan het verdampen van water. Daarom versterkt extreme droogte de hitte. Uit onderzoek met regionale klimaatmodellen (zie KNMI klimaatscenario’s) is bovendien gebleken dat zomerdroogte in veel gevallen leidt tot meer oostenwind. Dit betekent een extra versterkingsfactor voor droogte aangezien lucht uit het oosten vanaf het opgewarmde continent veel droger is dan westelijke winden, die vocht opnemen van de oceaan en Noordzee.
(V): Zijn er trends in de Nederlandse zomertemperatuur?
(A): In de vorige eeuw is de daggemiddelde zomertemperatuur in De Bilt ruwweg tweemaal zo veel gestegen als de wereldgemiddelde temperatuur. Dat komt overeen met een stijging van iets meer dan een graad. Met een toename van de gemiddelde temperatuur is ook de kans op hittegolven iets toegenomen. Een aantal aaneengesloten serie dagen met een maximumtemperatuur boven de 25 of 30 graden in De Bilt wordt echter door zoveel toevalsfactoren bepaald dat de afgelopen eeuw geen trend laat zien in het optreden van hittegolven. Een opwarming van gemiddeld één graad valt in het niet bij de natuurlijke schommelingen van week tot week en al helemaal bij de hitte van warme periodes. Opmerkelijk is wel dat de 21e eeuw naar verhouding al veel hittegolven op zijn naam heeft staan.
(V): Heeft de huidige hitte in Europa te maken met het versterkte broeikaseffect?
(A): Ten gevolge van het versterkte broeikaseffect is de kans op een hittegolf in Europa gestegen. Het broeikaseffect leidde in de 20ste eeuw wereldwijd tot een opwarming van ongeveer een halve graad. In Europa was de temperatuurstijging nog iets hoger. De gemiddelde zomertemperatuur is met ongeveer een graad gestegen. Relatief hoge dagtemperaturen komen nu vaker voor dan enkele decennia geleden.
(V): Wat kunnen we de komende eeuw wat betreft de zomers verwachten met betrekking tot het versterkte broeikaseffect?
(A): De verwachting is dat deze eeuw de wereldgemiddelde temperatuur verder stijgt met 1 tot 6 graden, dus veel meer dan de halve graad van de vorige eeuw. In samenhang hiermee zal ook de zomertemperatuur in Nederland verder oplopen. De nieuwste klimaatscenario’s van het KNMI gaan uit van een stijging van de gemiddelde zomertemperatuur tussen 0,9 en 2,8 graden. Het aantal zomerse en tropische dagen neemt dan ook sterk toe. Nu telt De Bilt (gemiddeld over 1976-2005) 24 zomerse en 4 tropische dagen. In 2050 zou De Bilt volgens de nieuwe klimaatscenario's gemiddeld tussen de 30 en 47 zomerse dagen tellen en 7 tot 14 tropische dagen (zie verder klimaatscenario's/ temperatuur). Hoewel het grillige karakter van veranderingen in neerslagpatronen de toekomstige ontwikkeling in ons land enigszins onzeker maakt (volgens de nieuwe scenario’s liggen de veranderingen in neerslaghoeveelheden tussen -19% en +6%). wordt wel een toename verwacht van de intensiteit van zware buien. De zomerbuien krijgen een meer tropisch karakter. In droge warme zomers echter kunnen de waterstanden in de grote rivieren in de zomer beduidend lager uitvallen.
(V): Als het broeikaseffect over 50 jaar goed merkbaar is, betekent dat dan ook dat iedere hittegolf door het broeikaseffect wordt veroorzaakt?
(A): Een individuele weergebeurtenis, of het nu gaat om een overstroming, een zware bui, of om een hittegolf, kan niet regelrecht toegeschreven worden aan het broeikaseffect, nu niet en ook in de toekomst niet. Het broeikaseffect verandert alleen de kans op zulke gebeurtenissen. Uitgesmeerd over een aantal jaren kan wel mogelijk een verband met het broeikaseffect worden aangetoond. Inherent aan extreme gebeurtenissen is natuurlijk dat uitzonderlijk weer nu eenmaal weinig voorkomt. Het kan daarom een hele tijd duren voor we hierover met zekerheid uitspraken kunnen doen. Dat het effect op termijn merkbaar is blijkt wel uit de nieuwste berekeningen die aangeven dat een droogte als in de zomer van 2003, die nu gemiddeld eens in de 10 jaar voorkomt, in het meest extreme KNMI’06 scenario voor 2050 om het andere jaar zal voorkomen.
Eerste uitgave:
17-07-06