Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) is in het leven geroepen door twee VN-organisaties, de World Meteorological Organization en het United Nations Environment Programme. Doel is kennis over het klimaatsysteem en het klimaatbeleid te beoordelen en samen te vatten ten behoeve van het beleid. Het Panel doet zelf geen onderzoek, maar rapporteert over de stand van zaken aan de hand van gepubliceerde wetenschappelijke artikelen, waaraan vele duizenden onderzoekers gewerkt hebben. Prioritering en wereldwijde coördinatie van het onderzoek is overigens in handen van drie andere organisaties, het World Climate Research Programme, het International Geosphere Biosphere Programma en het International Human Dimensions Programme on Global Environmental Change. Ook buiten deze programma's vindt onderzoek plaats dat beoordeeld wordt door het IPCC. Het IPCC kent drie werkgroepen. Werkgroep I houdt zich bezig met het klimaatsysteem, Werkgroep II met de gevolgen van en aanpassing aan klimaatverandering en Werkgroep III rapporteert over de vermindering van de broeikasgasuitstoot.
Het rapport is geschreven door teams van deskundigen. De concepten zijn uitgebreid becommentarieerd door wetenschappelijke experts en regeringen. Bij het verwerken van de commentaren is een grote mate van zorgvuldigheid betracht. Op 1 februari heeft het Panel het hoofdrapport geaccepteerd en overeenstemming bereikt over de tekst van de samenvatting ("Summary for Policymakers"). Het Panel had daarbij een beperkte rol: de samenvatting is gecontroleerd op zaken als duidelijkheid, consistentie en beleidsrelevantie. Wijzigingen dienen altijd in overeenstemming te zijn met achterliggend materiaal. Het rapport beschrijft de situatie zoals die was medio 2006. Recentere publicaties zijn niet meer verwerkt. De strikte kwaliteitscontrole staat verwerking van recente publicaties niet toe.

(On)zekerheid
Het klimaatsysteem is bijzonder complex. Daardoor is het bijna nooit mogelijk om uitspraken te doen die 100 % zeker zijn. Dit komt deels door het bestaan van interne variabiliteit (chaos), maar ook door de onvolledigheid van meetreeksen en de beperkingen van klimaatmodellen. Het IPCC heeft veel zorg besteed aan het zichtbaar maken van deze (on)zekerheden door uitspraken te voorzien van een waarschijnlijkheidsindicatie. Daarbij is gebruik gemaakt van een glijdende schaal (nagenoeg zeker [virtually certain] > 99 %, hoogstwaarschijnlijk [extremely likely] > 95 %, zeer waarschijnlijk [very likely] > 90 %, waarschijnlijk [likely] > 66 %, meer waarschijnlijk dan niet [more likely than not] > 50 %, onwaarschijnlijk [unlikely] < 33 %, zeer onwaarschijnlijk [very unlikely] < 10 % en hoogst onwaarschijnlijk [extremely unlikely] < 5 %). In de meeste gevallen zijn deze schattingen gemaakt door de betrokken deskundigen, waarbij zij hun oordeel baseren op alle beschikbare informatie. Er zitten onvermijdelijk subjectieve elementen in deze benadering. Toch wordt zo een goed onderbouwde schatting gemaakt van waarschijnlijkheden, die kan dienen als basis voor een risicobenadering bij besluitvorming. Daarbij is natuurlijk niet uit te sluiten dat nieuwe ontwikkelingen in de toekomst tot andere kansschattingen zullen leiden.

Nederlandse scenario's KNMI 2006
In het voorjaar van 2006 heeft het KNMI nieuwe klimaatscenario's voor Nederland en omgeving gepubliceerd. Deze scenario's voor 2050 zijn te verkrijgen via klimaatscenarios (zie verder lezen) Deze scenario's zijn gebaseerd op literatuur en modelresultaten die grotendeels ook ten grondslag liggen aan het IPCC rapport. Er is daarbij een verfijning aangebracht waarbij lokale en regionale factoren zijn meegenomen. Hieronder wordt, waar dat relevant is, nader ingegaan op de achtergrond van deze verfijningen.]

Verleden
Schommelingen en variaties
Het klimaat is van nature grillig. Het IPCC maakt daarom nadrukkelijk onderscheid tussen:
  1. het vaststellen van veranderingen
  2. het toeschrijven van opgetreden veranderingen aan bepaalde oorzaken.
Zo is het grootste deel van de toename van de wereldgemiddelde temperatuur zeer waarschijnlijk toe te schrijven aan de toename van antropogene broeikasgassen in de atmosfeer, maar er zijn ook grootheden die niet veranderd zijn, of waarvoor (nog) geen oorzaak kan worden aangewezen. Nieuw is dat in veel meer variabelen de invloed van de mens gezien wordt.

Mondiale neerslagveranderingen
Neerslag (regen, sneeuw, hagel) is veel wisselvalliger dan temperatuur. Bovendien is het effect van het versterkte broeikaseffect op neerslag minder simpel dan het effect op temperatuur. Het is daarom veel moeilijker om in de neerslagwaarnemingen van de twintigste eeuw trends te vinden en die aan de opwarming van de aarde te relateren.
In het IPCC-rapport worden trends in de jaargemiddelde neerslag over de hele twintigste eeuw genoemd voor een aantal grote gebieden. Een verband met het versterkte broeikaseffect wordt niet gelegd. Het KNMI noemt liever de deelgebieden en seizoenen waar de trend lokaal duidelijk zichtbaar is, en legt meer nadruk op trends in de tweede helft van de twintigste eeuw. De neerslagvariaties zijn van nature dusdanig groot dat het moeilijk is om trends aan het broeikaseffect toe te schrijven.

Temperatuur en neerslag in Nederland
De temperatuur in Nederland is duidelijk sneller gestegen dan de wereldgemiddelde temperatuur. Het KNMI onderzoekt waardoor dit komt. Zuidelijke en westelijke stromingen hebben in de herfst en winter vaak sterk bijgedragen aan de temperatuurrecords, maar het is nog onduidelijk of dit de extra opwarming verklaart. De neerslag in het winterhalfjaar is in Noord-Europa de afgelopen eeuw met gemiddeld 15% gestegen. In Nederland is de winterneerslag zelfs met ongeveer 25% per eeuw toegenomen, maar de natuurlijke grilligheid van de lokale neerslag maakt het signaal minder duidelijk.

Wind en stormen in Nederland
Het rapport stelt vast dat er geen duidelijke trends zijn in het aantal stormen. In Nederland is er een afname opgetreden in de afgelopen 40 jaar.

Zeespiegelstijging
In de 20e eeuw is de zeespiegel wereldwijd gestegen met ongeveer 17 centimeter, wat volgens het IPCC goed wordt begrepen. De zeespiegelstijging aan de Nederlandse kust heeft de afgelopen eeuw gelijke tred gehouden met deze wereldwijde stijging.


Toekomst

Broeikasgassen
Door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, kan de bijdrage van de mens aan klimaatverandering worden beperkt. Deze maatregelen worden niet behandeld in dit rapport, maar komen aan de orde in het IPCC-rapport van WG III (mitigation of climate change), dat op 4 mei zal worden vastgesteld. Dat rapport behandelt scenario's hoe de broeikasgasuitstoot zou kunnen worden teruggebracht, bijvoorbeeld zodanig dat de concentratie van broeikasgassen niet boven 450 ppm CO2-equivalenten stijgt. Daarmee zou de klimaatverandering kunnen worden beperkt tot een wereldgemiddelde stijging van 2°C ten opzichte van begin 1900. Een nauwkeurige berekening van de effecten van deze maatregelen- scenario's op het klimaat is nog niet uitgevoerd.

Temperatuur
Het IPCC stelt dat de temperatuur rond 2100 tussen de 1,1 en 6,4°C zal zijn gestegen. Dat lijkt een enorme onzekerheid. Maar die spreiding wordt ongeveer voor de helft veroorzaakt door verschillende projecties voor de uitstoot van broeikasgassen, die op hun beurt een gevolg zijn van economische en technologische ontwikkeling, bevolkingsgroei en het klimaat- en energiegebruik. De andere helft van de spreiding wordt veroorzaakt doordat we nog niet goed weten hoe sterk het klimaat reageert op meer broeikasgassen. Dat komt door het versterken en verzwakken door allerlei terugkoppelingen, maar ook doordat aerosolen (luchtverontreiniging) het klimaat koelen, terwijl we dat effect nog niet goed kunnen kwantificeren.
De klimaatscenario's van het KNMI zijn gebaseerd op de door IPCC gebruikte modellen die een acceptabele beschrijving van het klimaat van Europa geven. Op grond van die modellen ligt de temperatuurtoename in 2100 tussen 2 en 4° Celsius.

Neerslag
Nederland ligt in het overgangsgebied tussen Zuid-Europa (waar volgens het IPCC vooral de zomerse neerslag sterk afneemt) en Noord-Europa (waar vooral de winterneerslag toe gaat nemen). Het neerslagklimaat in Nederland hangt sterk af van de (nogal grillige) aanvoerrichting van de lucht. Als die sterk zal veranderen (zoals in een deel van de KNMI'06 scenario's wordt aangenomen) zal de gemiddelde zomerse neerslag sterk afnemen en de winterneerslag toenemen. Verandert de aanvoerrichting niet of nauwelijks, dan zijn de gevolgen voor de gemiddelde zomerneerslag gering. Zomerse buien worden in alle KNMI'06 scenario's extremer, in lijn met de IPCC


Conclusies

Zeespiegel
Volgens het IPCC zal de zeespiegel gedurende de 21e eeuw wereldwijd met 18 tot 59 centimeter stijgen, als gevolg van de uitzetting van het zeewater, het smelten van gletsjers en kleine ijskappen, en het gestage slinken van de grote ijskappen op Groenland en Antarctica. Op sommige plaatsen aan de randen van Groenlandse en West-Antarctische ijskap is de afkalving de laatste jaren sterk toegenomen. De waargenomen sterke toename van de afkalving aan de randen bij beide ijskappen heeft een belangrijke beperking van de huidige modellen van ijskappen blootgelegd: de processen die deze toename kunnen veroorzaken ontbreken nog. Het IPCC stelt daarom dat de gevoeligheid van de ijskappen voor opwarming van de atmosfeer groter kan zijn dan tot nu toe gedacht. Als deze versnelde afkalving evenredig toeneemt met de wereldgemiddelde temperatuur, stijgt de zeespiegel in de 21e eeuw met nog 10 tot 20 centimeter extra. Daarnaast vermeldt het IPCC dat er een kans is dat de extra bijdrage van Groenland en Antarctica nog verder kan oplopen, maar een bovengrens geeft het IPCC rapport niet aan.
De klimaatscenario's van het KNMI zijn gebaseerd op dezelfde modelstudies waarop het IPCC zich baseert. Toch komt het KNMI uit op een hogere bovengrens en grotere bandbreedte: 35 tot 85 centimeter zeespiegelstijging in 2100. Het verschil met de IPCC cijfers wordt verklaard door het meenemen van de IPCC-schatting van versnelde afkalving (10 tot 20 cm) en het regionale effect van een hoger dan gemiddelde zeespiegelstijging in het noordoosten van de Atlantische Oceaan (0 tot 15 cm).

Wind en stormen
Voor Nederland zijn (niet-tropische) stormen van groot belang. Klimaatmodellen blijken geen eenduidig beeld te geven over mogelijke veranderingen in deze stormen. In de meeste modellen is er wel sprake van een verschuiving van de stormbanen. Omdat die stormbaan boven Nederland breed is heeft dat weinig invloed. De toename van hoge winden in de KNMI Klimaatscenario's '06 is klein ten opzichte van de jaar-op-jaar variatie en de natuurlijke schommelingen op langere termijn.
Voor een meer uitgebreide toelichting zie de links rechtsboven.