 |
 |
 |
 |
IPCC
4. Stijging broeikasgas concentraties
Toelichting op het IPCC klimaatrapport
1 januari 2007
Rob van Dorland, KNMI
De De wereldwijde atmosferische concentraties van kooldioxide, methaan en distikstofoxide zijn duidelijk toegenomen als een gevolg van menselijke activiteiten sinds 1750 en overtreffen in hoge mate de pre-industriële waarden zoals bepaald uit ijsboringen van de laatste vele duizenden jaren. De wereldwijde toename in de kooldioxide concentratie is vooral het gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen en veranderingen in landgebruik, terwijl die in methaan en distikstofoxide vooral veroorzaakt zijn door de landbouw.
Fig. 1 Atmosferische concentratie van kooldioxide, methaan en distikstofoxide in de afgelopen 10000 jaar.
Het begrip van, door de mens veroorzaakte, opwarmende en afkoelende invloeden op het klimaat is verbeterd sinds het vorige IPCC rapport. Dit heeft geleid tot een heel hoog vertrouwen dat het mondiaal gemiddelde netto effect van menselijke activiteiten sinds 1750 opwarmend is geweest, met een stralingsforcering van +1,6 W/m2.
Stijging broeikasgasconcentraties
- Kooldioxide is het belangrijkste broeikasgas waarvan de concentratie door menselijk toedoen is toegenomen. De concentratie hiervan in de atmosfeer is toegenomen van 280 delen per miljoen delen lucht (ppm, parts per million) in 1750 tot 379 ppm in 2005. De voortdurende stijging van de concentratie van kooldioxide in de atmosfeer was de afgelopen 10 jaar sneller dan ooit.
- De concentratie van methaan in de atmosfeer is toegenomen van ongeveer 715 delen per miljard delen lucht (ppb, parts per billion) in 1750 tot 1774 ppb in 2005. De toename per jaar is sinds 1993 kleiner geworden. Onderzoek waarbij ook het KNMI betrokken is geeft aan dat tropische gebieden meer dan eerder gedacht bijdragen aan de natuurlijke bronnen van methaan. De gezamenlijke natuurlijke bronnen van methaan vormen ongeveer een derde deel van de totale uitstoot.
- De concentratie van distikstofoxide, ook wel lachgas genoemd, is toegenomen van ongeveer 270 ppb in 1750 tot 319 ppb in 2005. De snelheid van de toename is sinds 1980 nauwelijks veranderd.; Meer dan twee derde van de uitstoot van distikstofoxide is een gevolg van menselijke activiteiten, vooral in de landbouw.
Stralingsforcering
- De stralingsforcering door de gezamenlijke toename van kooldioxide, methaan en distikstofoxide is +2,3 W/m2. Het tempo waarin de stralingsforcering sinds 1750 is toegenomen is hoogst waarschijnlijk hoger dan ooit in de afgelopen 10000 jaar. In de periode 1995-2005 is de stralingsforcering door kooldioxide met 20% toegenomen. Deze toename is groter dan in enige andere periode van tien jaar sinds 1750.
- De directe stralingsforcering door aërosolen tengevolge van menselijke activiteiten is –0,5 W/m2, en de indirecte forcering is –0,7 W/m2. Deze forceringen compenseren dus voor een deel de forcering door broeikasgassen. Door verbeterde meetmethodes en meer nauwkeurige modellen worden deze forceringen nu beter begrepen dan in het vorige IPCC rapport. Ze blijven echter de belangrijkste bron van onzekerheid in de totale stralingsforcering.
- De stralingsforcering tengevolge van de door de mens veroorzaakte toename in ozon in de troposfeer, de onderste circa tien kilometer van de atmosfeer, is +0.35 W/m2.
- Verandering in de teruggekaatste hoeveelheid zonnestraling aan het aardoppervlak, tengevolge van veranderingen in landgebruik en het neerslaan van roet-aërosolen op sneeuw, hebben een stralingsforcering veroorzaakt van, respectievelijk, –0,2 en +0,1 W/m2.
- Veranderingen in de sterkte van de zonnestraling sinds 1750 hebben een stralingsforcering veroorzaakt van +0.12 W/m2. Deze beste schatting is minder dan de helft van de waarde die in het vorige IPCC rapport werd genoemd.
Figuur 2: Wereldgemiddelde stralingsforcering (RF) in 2005 door kooldioxide (CO2), methaan (CH4), distokstofoxide (N2O) en andere belangrijke broeikasgassen en processen. Ook aangegeven zijn de ruimtelijke schaal van de forceringen en een schatting van de mate waarin de forceringen worden begrepen (LOSU). (grotere figuur,)
Stralingsforcering: achtergrond De invloed van een verandering in een factor die het klimaat beïnvloedt, bijvoorbeeld een verandering in de concentratie van kooldioxide of een verandering in de sterkte van de zonnestraling, wordt beschreven met het begrip stralingsforcering. De stralingsforcering is de invloed die deze factor heeft op de balans tussen de ingaande en uitgaande stralingsenergie in het klimaatsysteem. De hierboven gegeven waarden van de stralingsforcering gelden voor veranderingen in de factoren sinds 1750 en zijn uitgedrukt in Watt per vierkante meter. Je kunt de stralingsforcering zien als een ‘extra kacheltje’ dat het klimaat opwarmt (als de stralingsforcering positief is) of afkoelt (als de stralingsforcering negatief is).
Aërosolen: achtergrond Een negatieve stralingsforcering wordt onder meer veroorzaakt door de aërosolen die door menselijke activiteiten in de atmosfeer terecht zijn gekomen. Aërosolen zijn kleine deeltjes in de atmosfeer, van natuurlijke of menselijk oorsprong. Aërosolen van natuurlijke oorsprong zijn, bijvoorbeeld, kleine (zee)zoutkristallen en woestijnstof. Aërosolen van menselijke oorsprong zijn, bijvoorbeeld, sulfaat en roet die vrijkomen bij het verbranden van fossiele brandstoffen. Aërosolen kaatsen het zonlicht terug, en koelen zo het klimaat in directe zin –hun directe stralingsforcering is negatief. Daarnaast wordt als het aantal aërosolen toeneemt de waterdamp die bij wolkenvorming condenseert verdeeld over een groter aantal wolkendruppeltjes, waardoor de wolken meer zonlicht terugkaatsen. Dit zogeheten indirecte aërosoleffect veroorzaakt eveneens een negatieve stralingsforcering.
Eerste uitgave:
01-01-07
|
 |
|
|