Fig. 1 scenario voor de wind
Op basis van de bekende kennis bestaat wel het vermoeden dat deze veranderingen klein zullen zijn. Voor het locale windklimaat is daarom een eventuele verandering van de ligging van de stormbanen belangrijker. De meeste modellen simuleren een poolwaartse verschuiving van de stormbanen met maximaal enkele honderden kilometers . Dit is in overeenstemming met de waarnemingen, die over de afgelopen 40 jaar een noordwaartse verschuiving van 100 kilometer over de Atlantische oceaan laten zien. Voor Nederland zijn de gevolgen beperkt. Volgens de KNMI'06 klimaat scenario's, die gebaseerd zijn op dezelfde modellen, is er voor 2 scenarios (W+ en G+) een toename in de hoogste daggemiddelde windsnelheid. Deze is echter niet meer dan 2% per graad temperatuurstijging. Dit is klein ten opzichte van de jaar-op-jaar variaties en de natuurlijke schommelingen op langere termijn.

Waardoor ontstaan stormen?
Bij de polen is de instraling van de zon minder dan bij de evenaar. Daardoor ontstaat een temperatuurverschil tussen evenaar en polen dat een compenserend warmtetransport veroorzaakt. Zowel de oceanen als de atmosfeer dragen bij aan dit warmtetransport. Op de gematigde breedten wordt dit poolwaartse warmtetransport voornamelijk verzorgd door depressies(zie verder lezen). Deze depressies en de stormen die daarbij horen zijn dus grote warmtepompen. Hoe groter het temperatuurverschil tussen pool en evenaar hoe meer warmte deze depressies moeten transporteren.

Gevolgen van het broeikaseffect voor stormen
Doordat de polen, door het albedo effect (zie verder lezen Zeeijs), sterker zullen opwarmen dan de evenaar neemt het temperatuurverschil tussen pool en evenaar af. Hieruit zou men kunnen concluderen dat de intensiteit en frequentie van stormen zullen afnemen. Aan de andere kant zijn er ook argumenten voor een toename daarvan. Zo zal hoger in de atmosfeer het temperatuurverschil tussen pool en evenaar juist toenemen ten gevolge van afkoeling op grotere hoogten bij de polen. Bovendien zal in een warmere atmosfeer het harder gaan regenen bij stormen. De (latente) warmte die daarbij vrijkomt kan de stormen intenser maken. In dat geval zullen er misschien minder maar wel zwaardere stormen ontstaan. Ook de oceaanstromingen kunnen veranderen waardoor de verdeling van het totale warmte transport over de atmosfeer en oceaan verandert.

De resultaten van de klimaatmodellen laten geen grote veranderingen in sterkte en frequentie van de stormen zien. Hierbij moet worden aangetekend dat klimaatmodellen grote moeite hebben om de vorming en ontwikkeling van stormen, waarbij processen op kleine tijd en ruimteschaal, zoals buien, en grootschalige stromingen met elkaar wisselwerken, goed te simuleren. De waarnemingen over de afgelopen 40 jaar wijzen niet op een grote verandering in de frequentie en intensiteit van de stormen.

Stormen ontstaan voornamelijk aan de westkant van de oceanen en bewegen zich, onder invloed van de straalstroom( zie verder lezen) over het algemeen oostwaarts. De gebieden waarin deze stormen ontstaan en voortbewegen noemt men stormbanen. Voor het lokale windklimaat, bijvoorbeeld dat van Nederland, is het van belang hoe de ligging van de stormbanen zal veranderen. De meeste modellen geven hier wel een eensluidend antwoord, namelijk een poolwaartse verschuiving van maximaal enkele honderden kilometers in 2050. Ook de waarnemingen laten voor de Noord Atlantische oceaan over de laatste 40 jaar een poolwaartse verschuiving van 100 kilometer zien.

Gevolgen van het broeikaseffect voor het Nederlandse windklimaat
Het effect voor Nederland van de verschuiving van de stormbanen is beperkt omdat de stormbaan boven Nederland breed is. Een verschuiving van een paar honderd kilometer heeft daarom geen groot effect. In de KNMI Klimaatscenario's '06, die gebaseerd zijn op dezelfde modellen, is voor een aantal scenario's de gevolgen van het windklimaat voor Nederland berekend. De grootste veranderingen worden verwacht voor de W+ en G+ scenario's. Voor deze scenario's is er een toename in de hoogste daggemiddelde windsnelheid. Deze is echter niet meer dan 2% per graad temperatuurstijging. Dit is klein ten opzichte van de jaar-op-jaar variatie en de natuurlijke schommelingen op langere termijn.
Hoogste daggemiddelde windsnelheid in de Bilt tussen 1962 en 2005, en de vier klimaatscenario's voor 2050 (gekleurde stippen). De dikke lijn volgt een voortschrijdend 30-jaar gemiddelde in de waarnemingen. De dikke gekleurde stippellijnen verbinden elk klimaatscenario met het basisjaar 1990. De grijze band illustreert de jaar-op-jaar variatie die is afgeleid uit de waarnemingen.

Voorzichtigheid
Hoewel de huidige kennis geen aanleiding geeft om grote veranderingen in het windklimaat van Nederland te verwachten is voorzichtigheid geboden. Zware stormen, zoals bijvoorbeeld de Lothar storm op 2e Kerstdag van 1999, kunnen het gevolg zijn van kleinschalige depressies, die veel van hun kracht halen uit de warmte die vrijkomt bij de condensatie van waterdamp. Klimaatmodellen kunnen dit soort stormen nog niet goed simuleren. Dit is een van de onderzoeksthema's van het KNMI voor de komende jaren.