Fig.1 De waargenomen verandering in neerslag ten opzichte van de natuurlijke variaties in 1951-2004. Gebieden waar de kans dat de waargenomen veranderingen toeval zijn groter is dan 10% zijn wit gelaten. Bron: GPCC, KNMI.
De waarnemingen over de afgelopen eeuw laten de toename in de winterneerslag in Noord-Europa en noordelijk Noord-Amerika duidelijk zien. Er is een duidelijke afname van regen in Noord-Afrika. De waargenomen afname van de neerslag in West- en Centraal-Afrika, en de toename in zuidelijk Zuid-Amerika en Noordwest-Australië passen niet in het simpele theoretische beeld.

In de projecties voor 2100 zijn de patronen van verandering veel duidelijker. De modellen voorspellen een grote toename in neerslag in de winter op de hogere breedtegraden, en een vrij algemene afname in de subtropen, vooral in de zomer. Langs de evenaar zijn grote gebieden waar meer neerslag verwacht wordt.

Verleden
Aangezien neerslag zo grillig van karakter is, kunnen veranderingen alleen over lange tijd worden bepaald. Anderzijds is de mondiale opwarming pas sinds ongeveer 1970 duidelijk zichtbaar. Als compromis heeft het KNMI de veranderingen over 1951-2004 bepaald, op basis van de waarnemingen die door het Global Precipitation Climatology Centre (GPCC) zijn verzameld en verwerkt. In figuur 1 is te zien dat de neerslag significant is toegenomen in de winter in Noord-Europa en delen van Noord-Amerika en Noord-Azië. Er is ook duidelijk meer regen gevallen in de zomer in zuidelijk Zuid-Amerika en Noordwest-Australië. De regen is duidelijk afgenomen in Noord-Afrika en West-Afrika (inclusief de westelijke helft van de Sahel). In de overige gebieden zijn de veranderingen niet groot genoeg of zijn de meetgegevens niet betrouwbaar genoeg om uitspraken te doen.


Fig.2 De waargenomen verandering in neerslag ten opzichte van de natuurlijke variaties in 1951-2004. Gebieden waar de kans dat de waargenomen veranderingen toeval zijn groter is dan 10% zijn wit gelaten. Bron: GPCC, KNMI.
Fig. 2 De waargenomen verandering in neerslag ten opzichte van de natuurlijke variaties in 1951-2004. Gebieden waar de kans dat de waargenomen veranderingen toeval zijn groter is dan 10% zijn wit gelaten. Bron: GPCC, KNMI.



Toekomst
Voor de KNMI'06 scenario's zijn de gegevens gebruikt van de vijf klimaatmodellen die het klimaat in Europa het beste beschrijven. Ook voor andere delen van de wereld beschrijven deze modellen vaak het huidige klimaat het beste. Figuur 2 toont de projecties van mondiale neerslagveranderingen in die modellen. Gebieden waar 2 of 3 van de 5 modellen een droger klimaat voorspellen, en de andere 3 of 2 een natter klimaat, zijn wit gelaten.
De verwachte toename van de neerslag in Noord-Europa, Noord-Azië en noordelijk Noord-Amerika is duidelijk zichtbaar. Deze is ook in de KNMI'06 scenario's voor Nederland verwerkt. De modellen verwachten dat Noord-Afrika verder zal uitdrogen. In de zomer strekt dat droogtegebied zich verder naar het noorden uit, maar de modellen zijn het er niet over eens of het ook in Nederland in de zomer droger gaat worden. De KNMI'06 scenario's bevatten daarom een droger en een natter zomerscenario. Voor de Sahel zijn de modellen het oneens. In Oost-Afrika wordt meer regen verwacht, terwijl in subtropisch Zuid-Afrika en Zuid-Amerika in 2100 minder regen voorspeld wordt.

Fig.3 De procentuele verandering in neerslag in 2080-2099 ten opzichte van 1980-1999. De waarden zijn voor het gemiddelde van de 5 modellen die gebruikt zijn voor de KNMI'06 scenario's in het SRES A1B scenario. Gebieden waar minder dan 4 van de 5 modellen natter of droger aangeven zijn wit gelaten. Bron: PCMDI, KNMI.
Fig.3 De procentuele verandering in neerslag in 2080-2099 ten opzichte van 1980-1999. De waarden zijn voor het gemiddelde van de 5 modellen die gebruikt zijn voor de KNMI'06 scenario's in het SRES A1B scenario. Gebieden waar minder dan 4 van de 5 modellen natter of droger aangeven zijn wit gelaten. Bron: PCMDI, KNMI.


Fig.4 De procentuele verandering in neerslag in 2080-2099 ten opzichte van 1980-1999. De waarden zijn voor het gemiddelde van de 5 modellen die gebruikt zijn voor de KNMI'06 scenario's in het SRES A1B scenario. Gebieden waar minder dan 4 van de 5 modellen natter of droger aangeven zijn wit gelaten. Bron: PCMDI, KNMI.
Fig.4 De procentuele verandering in neerslag in 2080-2099 ten opzichte van 1980-1999. De waarden zijn voor het gemiddelde van de 5 modellen die gebruikt zijn voor de KNMI'06 scenario's in het SRES A1B scenario. Gebieden waar minder dan 4 van de 5 modellen natter of droger aangeven zijn wit gelaten. Bron: PCMDI, KNMI.

De patronen van waargenomen veranderingen en die van de projecties komen in sommige gebieden redelijk overeen (Europa, Noord-Afrika), maar verschillen in andere (West-Afrika, Australië). Dit kan een aantal oorzaken hebben. Ten eerste kunnen de waargenomen veranderingen over de afgelopen 50 jaar een natuurlijke oorzaak gehad hebben die niet in de projecties zitten: het chaotische weer verandert ook uit zichzelf en veroorzaakt zo altijd drogere en nattere periodes. Andere menselijke invloeden dan het versterkte broeikaseffect kunnen ook voor meer of minder regen gezorgd hebben. De droogte in de Sahel in de jaren 1970 en 1980 wordt bijvoorbeeld gedeeltelijk toegeschreven aan de luchtvervuiling met stofdeeltjes in Europa in die tijd, en is waarschijnlijk verergerd door de veranderingen in landgebruik in de Sahel. Tenslotte berekenen de huidige klimaatmodellen het weer in de tropen nog niet zo goed, waardoor ze de veranderingen in neerslag daar mogelijk niet goed kunnen voorspellen.