De toestand van het klimaat in Nederland 1996
Voorwoord
Reden om deze rapportages uit te brengen is de sterk levende zorg over verandering van het klimaat als gevolg van menselijk handelen. De kwetsbaarheid van het klimaat vereist bewaking.
De directe aanleiding om nu de tweede rapportage uit te brengen is het verschijnen van het Tweede Integrale IPCC-rapport over Klimaatverandering. Dit gezaghebbende en internationaal gedragen rapport concludeert dat de menselijke invloed thans naar alle waarschijnlijkheid reeds zichtbaar is geworden in het wereldklimaat en verwacht dat de verandering versneld door zal gaan. De voorliggende rapportage beoogt een brug te slaan tussen voorspellingen van het wereldklimaat en de toekomst van het Nederlandse klimaat.

Kennis over de toekomst vereist kennis van het verleden. Deze rapportage plaatst de waargenomen klimaatschommelingen van de twintigste eeuw en de anomalieën van het laatste decennium in elkaars perspectief. Het zorgvuldig bijgehouden KNMI-archief maakt het mogelijk om op vrijwel alle onderdelen een gedetailleerd beeld te verschaffen van het Nederlandse klimaat vanaf de eeuwwisseling tot en met de recente winter.

De IPCC-conclusies laten zich niet meteen vertalen naar de concrete Nederlandse situatie. Maar dat ook ons klimaat zal veranderen is evident. Deze rapportage brengt door samenbundeling van kennis over klimaatkenmerken en fundamenteel voorspelbaarheidsonderzoek de marges in kaart waarbinnen uitspraken mogelijk zijn en presenteert de uitkomst in de vorm van een schets van een mogelijke realisatie van het toekomstige klimaat in Nederland. Het beeld dat opdoemt is nog wazig, maar zal gaandeweg verhelderen naarmate ons inzicht toeneemt en puzzelstukken op hun plaats vallen. In tegenstelling tot de vorige klimaatrapportage vindt u in deze rapportage geen uitspraken over ozon en ultraviolette straling. Dit KNMI-aandachtspunt vormt het onderwerp van een aparte rapportagereeks.


Dr H.M. Fijnaut Directeur KNMI

Samenvatting
Klimaatdiagnose
Waarnemingen van het Nederlandse klimaat over de laatste honderd jaar geven aan dat het temperatuurklimaat zowel jaar-op-jaar fluctuaties als trage fluctuaties kent. In samenhang met temperatuur variëren ook neerslaghoeveelheid, bewolking, windrichting en stormfrequenties, hoewel meer versluierd door hun hogere jaar-op-jaar variabiliteit.
Statistisch onderzoek leert dat een aantal onderdelen van het Nederlandse klimaat het afgelopen decennium significant afweek van hun gemiddelden. Dit geldt vooral voor de wintertemperatuur en in samenhang daarmee vertonen ook winterneerslag en windrichting afwijkingen. In het windsnelheidsklimaat en het stormklimaat zijn geen trends zichtbaar. Deze laatste conclusie wordt bevestigd door waarnemingen van het golfklimaat op de Noordzee en door waarnemingen van opstuwing van de zee aan de Nederlandse kust.
Onderzoek toont aan dat de abnormaal hoge temperatuur van het afgelopen decennium in belangrijke mate verklaard wordt uit het optreden van een abnormale verdeling van atmosferische circulatiepatronen boven Nederland. Deze afwijkende verdeling blijkt veroorzaakt door een anomale versterking van het IJslandse lagedrukgebied in de winter, gepaard gaand met een afwijkende temperatuurverdeling over het oceaanoppervlak. Eerder deze eeuw deed zich een analoge situatie voor, maar de anomale versterking van het IJslandse lagedrukgebied was toen minder groot. Daar niet bekend is of het versterkte broeikaseffect van invloed is op het optreden van dit verschijnsel, ontbreekt de wetenschappelijke grond om de abnormaal hoge temperatuur van het afgelopen decennium aan het versterkte broeikaseffect toe te schrijven.
Wereldwijd gemiddeld is de temperatuur in deze eeuw gestegen. Deze stijging is aanzienlijk geringer dan de Nederlandse temperatuurtoename van het laatste decennium, maar is onmiskenbaar aanwezig. Het IPCC acht het onwaarschijnlijk dat de wereldtemperatuurstijging alleen door natuurlijke veranderingen kan zijn veroorzaakt.

Klimaatvoorspellingen
Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) geeft voor halverwege de volgende eeuw een toename aan van 0,5-2 graden in de wereldgemiddelde temperatuur en een toename van enkele procenten in de wereldgemiddelde neerslag, waarbij de veranderingen het grootst zijn boven continenten op hoge breedten in het winterseizoen. Een nadere uitwerking van deze gegevens naar de Nederlandse situatie vereist informatie over toekomstige veranderingen in de frequentieverdeling van atmosferische circulatiepatronen rond Nederland. Deze informatie ontbreekt. Fundamenteel onderzoek naar de eigenschappen van luchtstromingen geeft aan dat regionale klimaataspecten van dit type in de praktijk onvoorspelbaar zouden kunnen blijken. Dit komt voort uit het feit dat het klimaatsysteem nooit met oneindige precisie kan worden gemodelleerd.
Bij projectie van de huidige interne samenhang van klimaatonderdelen op de toekomst, kan uit de IPCC-voorspellingen een meteorologisch consistent beeld van een mogelijke realisatie van het klimaat in Nederland worden afgeleid dat behoort bij een bepaalde toestand van de atmosferische circulatiepatronen. Indien als sleutelaanname de veronderstelling wordt geïntroduceerd dat de frequentieverdeling van de circulatiepatronen zich niet wijzigt bij versterking van het broeikaseffect, is het beeld voor 2050 als volgt:

  • De temperatuurtoename zal circa 0,5-2 graden zijn en is daarmee merkbaar aanwezig in het aanhoudend wisselvallige Nederlandse weer. In dit variabele weer blijven hittegolven een zeldzaam verschijnsel. De strengste winters zijn iets minder extreem koud en kunnen zich minder ver in het vroege voorjaar voortzetten.
  • De jaarlijkse neerslaghoeveelheid zal met enkele procenten toegenomen zijn. De toename concentreert zich in het winterseizoen. Situaties met langdurige hevige winterneerslag leveren 5-20% meer neerslag op per regendag. Zware zomerbuien zijn heviger. Hun maximale neerslagintensiteit is 5-20% hoger.
  • Stormfrequenties, windrichtingsfrequenties, de frequenties van droogteperioden of van neerslagsituaties zijn zo direct gerelateerd aan de sleutelaanname dat hiervoor binnen deze aanname geen zinvol toekomstbeeld kan worden geschetst.

Bovenstaand mogelijk weerbeeld voor 2050 leunt zwaar op de sleutelaanname. Onderbouwing van deze aanname ontbreekt. Diagnostiek van het klimaat wijst uit dat het variabele Nederlandse weer op al zijn onderdelen hoogst gevoelig is voor veranderingen in atmosferische circulatie. Een al dan niet onderbouwde andere sleutelaanname leidt derhalve tot een drastisch afwijkend toekomstig weerbeeld.