 |
 |
 |
 |
Klimaat wereld
Stijging wereldgemiddelde temperatuur
De langjarige trend gaat door
23 maart 2012
Geert Jan van Oldenborgh, Rein Haarsma
De 12-maands gemiddelde wereldgemiddelde temperatuur van januari 2011 tot en met december 2011 is op 0,45 graden boven het gemiddelde van 1951-1980 uitgekomen gebaseerd op directe metingen met thermometers. Als een schatting van de temperatuur in gebieden zonder thermometers, met name de poolgebieden, in rekening wordt gebracht is dit 0,51 graden. Beide waardes liggen een tiende graad onder de trend van de afgelopen 30 jaar door de sterke La Niña in de winter 2010/2011. La Niña is een natuurlijke klimaatvariatie waarbij het oppervlaktewater in de Stille Oceaan langs de evenaar afkoelt, de tegenhanger van El Niño. La Niña zorgt met een vertraging van 3-6 maanden voor een lagere wereldgemiddelde temperatuur, El Niño voor een hogere. Als voor El Niño en La Niña gecorrigeerd wordt is de temperatuur stijging veel gladder, onderbroken door de effecten van grote vulkaanuitbarstingen in de tropen. De langjarige trend sinds 1975 ligt tussen de 0,15 en 0,20 ºC per tien jaar. Gezien de zwakke La Niña van 2011/2012 is de verwachting dat 2011 ook iets onder de trendlijn zal vallen.
Schattingen van het verloop van de wereldgemiddelde temperatuur van het Hadley Centre en de Climate Research Unit (HadCRUT3), NOAA/NCDC en NASA/GISS 1900-2011.
Verschillende berekeningen Als maat voor de opwarming van de aarde wordt vaak de wereldgemiddelde temperatuur gebruikt. Die is veel minder afhankelijk van de grilligheid van het weer dan de temperatuur op één punt, of de temperatuur gemiddeld over een kleiner gebied. Een probleem is dat niet overal op aarde standaard-thermometers staan. Met dit probleem wordt op verschillende manieren omgaan. De NASA/GISS schatting van de wereldgemiddelde temperatuur is gebaseerd op een ruwe gok van wat in die gebieden de temperatuur is geweest, de Hadley Centre/CRU schatting laat de gebieden zonder metingen helemaal weg (NOAA/NCDC kiest een tussenweg). De laatste jaren is het noordpoolgebied sterk opgewarmd: in de zomer van 2011 was een recordhoeveelheid ijs gesmolten, in 2007 maar weinig minder. Hierdoor lopen de schattingen inclusief en exclusief dit gebied de laatste jaren behoorlijk uit elkaar, zie Figuur 2. DE nieuwe HadCRUT4 reeks die zeer binnenkort beschikbaar komt heeft meer waarnemingen in het poolgebied en wijkt minder af van de GISS en NCDC reeksen.
Schattingen van het verloop van de wereldgemiddelde temperatuur van het Hadley Centre en de Climate Research Unit (HadCRUT3), NOAA/NCDC en NASA/GISS 1900-2011.
Naast de continue stijging de laatste tientallen jaren vertoont de wereldgemiddelde temperatuur ook jaar op jaar fluctuaties als gevolg van natuurlijke variaties van het klimaat. De belangrijkste factoren zijn El Niño, vulkaanuitbarstingen, en het weer.
Extra opwarming door El Niño Vooral El Niño heeft een grote invloed op de wereldgemiddelde temperatuur. Een uitzonderlijk sterke El Niño heeft een extra zetje gegeven aan de wereldgemiddelde temperatuur van 1998. In 2008 was de situatie juist omgekeerd, een vrij sterke La Niña had een matigende invloed op de wereldgemiddelde temperatuur, waardoor de opwarming tijdelijk iets werd gecompenseerd. 2010 was weer warmer door El Niño in de winter van 2009/2010. Hoewel deze minder sterk was dan in 1997/1998 is de temperatuur toch hoger uitgevallen door de onderliggende trend.
Uit onderzoek blijkt dat de wereldgemiddelde temperatuur bijna 0,1 graad toeneemt een half jaar nadat El Niño een sterkte van 1°C heeft. Omgekeerd neemt de wereldgemiddelde temperatuur na La Niña in dezelfde mate af. In 1998 was het wereldgemiddeld dus ongeveer 0,25°C warmer door de zeer sterke El Niño, en in 2008 rond de 0,15°C koeler door La Niña.
Om een duidelijker beeld te krijgen van de opwarming van de aarde kunnen we deze schatting van de invloed van El Niño en La Niña van de wereldgemiddelde temperatuur aftrekken. De schommelingen door deze verschijnselen hebben niets met de opwarming te maken en middelen in het verloop van de wereldgemiddelde temperatuur over de lange duur uit.
Figuur 2: Als figuur 1, maar in eerste benadering gecorrigeerd voor de invloed van El Niño en La Niña. Voor de HadCRUT3 dataset is dit niet goed gelukt en zijn in 1998 en 2008 El Niño en La Niña nog steeds zichtbaar.
Afkoeling door vulkanen In de wereldgemiddelde temperatuur zonder El Niño (Figuur 2) zijn een aantal pieken naar beneden goed zichtbaar. Deze zijn veroorzaakt door grote vulkaanuitbarstingen, die zwavel in de hogere luchtlagen brengen, boven de wolken. De zwavelverbindingen vormen na een paar maanden stofdeeltjes die niet uitregenen. Deze stofdeeltjes houden een jaar of twee een gedeelte van de zonnestraling tegen, waardoor het wereldgemiddeld afkoelt. De duidelijkste piek is na de uitbarsting van Pinatubo in 1991, die 20 miljoen ton zwaveldioxide en as de stratosfeer inschoot. De wereldgemiddelde temperatuur is daardoor in 1992 zo'n 0,3°C lager geweest. Ook Gunung Agung (1963) en El Chichon (1982) hebben een duidelijke afkoeling veroorzaakt.
De zon De zonnestraling die de aarde bereikt varieert een klein beetje met de ongeveer elf jaar lange zonnecyclus. Dit is als je heel goed kijkt terug te zien in de wereldgemiddelde temperatuur, maar het effect is klein, ongeveer 0.05 ºC voor de sterke veranderingen van 1940-2000. Sinds 1960 neemt de zonneactiviteit in sterkte af, tegen de temperatuurtrend in.
Het weer Tenslotte is het er het weer. Vooral de variaties in winterweer in Azië werken door in de wereldgemiddelde temperatuur. Azië is heel groot, wat betekent dat het een extreem landklimaat heeft met grote temperatuurvariaties, vooral in de winter. Door de grote oppervlakte werken die ook relatief sterk door in de wereldgemiddelde temperatuur. Weervariaties zorgen er voor dat de wereldgemiddelde temperatuur van jaar tot jaar gemiddeld 0,1°C van de langjarige trend afwijkt, soms veel meer.
De laatste tien jaar Figuur 2 laat zien dat als de poolstreken worden meegenomen (GISS data, rode lijn), de wereldgemiddelde temperatuurstijging zonder de invloed van El Niño en La Niña gewoon doorgaat. De beste schatting van de lange-termijn stijging van de wereldgemiddelde temperatuur is en blijft tussen de 0,15 en 0,20°C per 10 jaar. De laatste tien jaar was de zon rustiger dan ooit sinds 1910, terwijl de temperatuur gemiddeld over dezelfde jaren juist op het hoogste niveau ooit gemeten lag.
Vergelijking met klimaatmodellen Sinds het midden van de jaren '70 van de vorige eeuw is er een sterke opwarming zichtbaar in de wereldgemiddelde temperatuur. Figuur 3 laat de lineaire trend zien over de periode 1975-2011 in de waarnemingen en de klimaatmodellen die voor het volgende IPCC rapport gebruikt worden. Het gemiddelde van alle klimaatmodellen ligt binnen de foutenmarges van de waarnemingen, hoewel aan de hoge kant (0.22 K/yr). Omgekeerd ligt de centrale waarde van de waarnemingen ruim binnen het ensemble. De voornaamste reden dat de klimaatmodellen zo verschillen is de onzekerheid hoe luchtvervuiling door roet en stofdeeltjes bij de grond de temperatuur beïnvloeden. Dit staat los van de sterkte van de opwarming tot 2100, die gedomineerd wordt door onzekerheid hoe CO2 de temperatuur beïnvloedt.
Figuur 3: Trend in de wereldgemiddelde temperatuur over 1975-2011 in graden per jaar in de waarnemingen (GISS, NCDC en HadCRUT3) en de klimaatmodellen die gebruikt worden voor het vijfde IPCC rapport (CMIP5).
De trends over de kortere periode 1998-2011, Figuur 4, hebben veel grotere onzekerheden, zowel in de waarnemingen als de modellen. De waargenomen temperatuurstijging over deze periode is uiteraard lager dan de gemiddelde trend: hij is uitgekozen zodat het eerste jaar sterk beïnvloed is door de sterkste waargenomen El Niño, en het laatste jaar door een sterke La Niña. De modellen simuleren El Niño en La Niña in andere jaren. Toch ligt ook in dit maximaal ongunstig gekozen tijdvak het ensemblegemiddelde binnen de foutengrenzen van de waarnemingen die ook de temperatuurstijging van het noordpoolgebied meenemen (GISS), en de centrale waarde van de waarnemingen binnen het ensemble van klimaatmodellen.
Figuur 4: Als Figuur 3, maar voor de periode 1998-2011.
Ook dit geeft aan dat er op basis van de trend van de laatste 11 jaar geen reden is om aan te nemen dat de wereldgemiddelde temperatuur niet goed door klimaatmodellen gesimuleerd wordt.
De belangrijkste factor in de langjarige temperatuurstijging, de CO2 concentratie, ligt dicht bij de IPCC scenario's die eind jaren negentig gemaakt zijn. Ook deze concentraties worden door El Niño en La Niña beïnvloed: tijdens El Niño neemt de oceaan minder CO2 op (zichtbaar als een positieve afwijking in de concentraties in 1998), terwijl bij La Niña de oceaan juist meer CO2 opneemt (relatieve terugval in 1999). Ook mondiale schommelingen in de economie zijn zichtbaar als kleine schommelingen rond de trend (de crises van 2001, 2008-2011 zijn net zichtbaar).
Figuur 5: CO2 concentraties in de vrije atmosfeer zoals gemeten op Mauna Loa, en in een aantal IPCC SRES scenario's die eind jaren 1990 gemaakt zijn voor het derde en vierde IPCC rapport.
Nieuwsbrief Via http://www.knmi.nl/mailinglists/kenniscentrum/mailinglist_aanmelden.html kunt u zich kosteloos abonneren op het kenniscentrum. Eens per maand ontvangt u een e-mail met een overzicht van de artikelen die de afgelopen maand op het Kenniscentrum zijn verschenen
Eerste uitgave:
23-03-12
|
 |
|
|